Zoekresultaat: 49 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Article x
Artikel

Access_open Terugblik op de Raad voor Werk en Inkomen (RWI)

Verslag van een interview met Jan van Zijl

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, november 2014
Auteurs Peter van Hoesel
SamenvattingAuteursinformatie

    Je kunt natuurlijk wel verwachten dat Jan van Zijl, die tegenwoordig voorzitter is van de MBO Raad, positieve herinneringen heeft aan wat je zou kunnen noemen ‘zijn RWI’, maar misschien niet dat hij een paar jaar na dato nog zo uitdrukkelijk betreurt dat de RWI is opgeheven. Het was indertijd bij de oprichting wel zo dat de RWI door sommigen gezien werd als een doekje voor het bloeden voor de sociale partners in verband met het feit dat zij macht gingen verliezen na invoering van de SUWI-structuur, maar Van Zijl ging bepaald niet uit van een korte levensloop van de nieuwe raad. Dat hij de taak van de RWI serieus nam, blijkt trouwens ook uit het grote aantal indringende adviezen en rapportages dat de RWI heeft weten te produceren.


Peter van Hoesel
Peter van Hoesel is (emeritus) hoogleraar Toegepast Beleidsonderzoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Access_open Monitoren en evalueren van integraal gezondheidsbeleid

Een practice-based verkenning

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, september 2014
Trefwoorden integraal gezondheidsbeleid, onderzoeksinstrumenten, monitoren en evalueren
Auteurs Ilse Storm, Marije van Koperen, Fons van der Lucht e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Integraal gezondheidsbeleid (IGB) kent in de lokale praktijk diverse verschijningsvormen en kenmerken waardoor het lastig is dit beleid te monitoren en evalueren. In een kennissynthese van Nederlandse kernpublicaties over IGB is gekeken wat op basis van ervaringen in de IGB-praktijk tot nu toe gezegd kan worden over monitoring en evaluatie. Bij deze practice-based verkenning naar IGB-kenmerken en bijbehorende praktische instrumenten is een indeling in drie categorieën gebruikt: context, processen en impact. Voorbeelden van relevante kenmerken zijn: type IGB en setting (context), verbinden beleid en activiteiten (proces), samenwerking sectoren (proces), draagvlak en verankering in organisatie (proces), en effecten op gezondheid of determinanten (impact). Op basis van de huidige IGB-praktijk lijkt het vooral haalbaar kennis te genereren over context en procesmaten, en minder over impactmaten. Uiteindelijk is een set kenmerken die meetbaar zijn met gevalideerde instrumenten wenselijk om grip te krijgen op de voortgang van IGB. Meer theoretische onderbouwing is dan wel noodzakelijk.


Ilse Storm
Ilse Storm is beleidsonderzoeker bij de afdeling Verkenningen Zorg en Preventie (VZP), centrum Gezondheid & Maatschappij (G&M), van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Marije van Koperen
Marije van Koperen is onderzoeker bij de afdeling Gezondheidswetenschappen, Faculteit Aard- en Levenswetenschappen (FALW), van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Fons van der Lucht
Fons van der Lucht is afdelingshoofd van de afdeling Verkenningen Volksgezondheid (VVG), centrum Gezondheid & Maatschappij, van het RIVM.

Hans van Oers
Hans van Oers is Chief Science Officer (CSO) Health System Assessment and Policy Support bij het RIVM en hoogleraar Public Health bij Universiteit van Tilburg (UvT)/Tranzo.

Jantine Schuit
Jantine Schuit is centrumhoofd Voeding, Preventie en Zorg bij het RIVM en hoogleraar Health Promotion and Policy bij de afdeling Gezondheidswetenschappen, Faculteit Aard- en Levenswetenschappen, van de Vrije Universiteit Amsterdam.

    Na het aantreden van Rutte II heeft de bestuurlijke opschaling van gemeenten en provincies twintig maanden lang op de agenda gestaan. Zoals bekend hebben de plannen van het kabinet de eindstreep niet gehaald. Vooral bij de meest betrokken provincies bestond er kritiek op het ontbreken van een visie en onderbouwing. In dit artikel wordt onderzocht in hoeverre een netwerkanalyse van het verplaatsingsgedrag daarin zou kunnen voorzien. Voor een volgende ronde, die zich mogelijk al snel weer aandient. De uitkomsten van verschillende algoritmes voor netwerkanalyse worden vergeleken. Het begrip daily urban system, gekoppeld aan welvaartstheoretische inzichten (Tordoir), dient als inhoudelijke leidraad. Netwerkanalyse blijkt zakelijke argumenten op te leveren die behulpzaam kunnen zijn bij het trekken van (nieuwe) bestuurlijke grenzen, ook al zullen deze om verschillende redenen nooit alleenzaligmakend zijn.


Diederik Brouwer
Correspondentie: Diederik Brouwer, dbrouwer@onderzoekwerkt.nl.

    De laatste jaren is de beleidsmatige en wetenschappelijke aandacht voor ex ante onderzoek toegenomen. De vraag is of dit ook is terug te zien in het aantal studies naar concrete plannen, en in het gebruik van de uitkomsten van ex ante studies in de beleidsontwikkeling. Om dit na te gaan verrichtten we een metastudie van ex ante onderzoeken over beleid op rijksniveau, verschenen in de periode 2005 tot en met 2011. In deze bijdrage beschrijven we eerst hoe vaak en met welk doel ex ante onderzoek wordt verricht en om wat voor typen studies het gaat. Daarna nemen we het gebruik in het beleidsontwikkelings- en besluitvormingsproces onder de loep door in te zoomen op vijf ex ante onderzoeken. Een eerste conclusie is dat er inmiddels een aanzienlijk aantal ex ante studies is verschenen; een tweede dat in alle vijf casus het onderzoek belangrijke actoren in het beleidsproces bereikt heeft, maar dat de uitkomsten niet altijd doorklinken in het uiteindelijke beleid.


Carolien Klein Haarhuis
Carolien Klein Haarhuis is onderzoeker bij de afdeling Rechtsbestel, Wetgeving en Internationale en vreemdelingenaangelegenheden (RWI) van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Monika Smit
Monika Smit is afdelingshoofd bij de afdeling Rechtsbestel, Wetgeving en Internationale en vreemdelingenaangelegenheden (RWI) van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Shelena Keulemans
Shelena Keulemans is als promovenda verbonden aan de vakgroep Bestuurskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    Het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans onderdeel van Economische Zaken, heeft in 2010 het aantal indicatoren waarop de minister zich in de Begroting aan de Tweede Kamer verantwoordt, vrijwel gehalveerd. Hiermee komt de Begroting dichter bij het overkoepelende document waarmee een minister aan de Kamer laat zien wat het beleid op hoofdlijnen is.

    Achtergrond was het besef dat het ministerie veel informatie verzamelt, waarvan onduidelijk was of dit wel op resultaat gericht was en in de juiste hoeveelheid. Minder indicatoren, meer gericht op resultaat en outcome, leveren een sterkere basis om meer resultaatgerichte beleidsinformatie te verzamelen. Voorts gaf dit richting voor een sterkere interne sturing op hoofdlijnen en de uit te voeren beleidsevaluaties.

    Het Programma Beleidsinformatie heeft dit traject geïnitieerd en begeleid. Dit was meer dan een technische operatie. Daarbij is een proces in werking gezet om vanuit nice-to-know een harde kern van need-to-know beleidsinformatie te genereren.


Aris Gaaff
Aris Gaaff (1949) werkte jarenlang in het bedrijfsleven en bij de overheid, tot zijn recente pensionering bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van Wageningen UR. Zijn specialismen zijn beleidsevaluatie, (overheids)financiering, regionaal-economische ontwikkeling en maatschappelijke kosten-batenanalyse. Hij publiceerde onder meer over financiering van natuur, kunstsubsidies en natuurlijk kapitaal. Een publicatie over de financiering van de Eerste Wereldoorlog is in voorbereiding.

John Butter
John Butter (1958) werkt momenteel als programmamanager bij het ministerie van Economische Zaken. Hiervoor werkte hij in beleids- en managementfuncties bij de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Binnenlandse Zaken en de Voedsel- en Warenautoriteit. Het accent van zijn werkzaamheden ligt op beleidsstrategie en verandertrajecten op het gebied van verkeer en vervoer, zorg en sociale zekerheid en effectieve overheid. Momenteel trekt hij een programma om belemmeringen in wet- en regelgeving waar ondernemers tegenaan lopen bij innovatieve investeringen weg te nemen.
Article

Access_open Beleidsonderzoek benutten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, april 2014
Auteurs Prof. dr. A.F.A. Korsten en drs. Anne Douwe van der Meer AC
SamenvattingAuteursinformatie

    Achter opdrachtresearch gaat de veronderstelling schuil dat de tussen- en eindresultaten van beleidsonderzoek vroeg of laat ook benut worden en onderdeel worden van een proces van bezinning op beleid. Dit artikel handelt hierover. Diverse aspecten van benutting van onderzoek komen aan bod, zoals de definitie en vormen van benutting. Er worden vier richtingen onderscheiden om de omvang en vorm van benutting of onderbenutting op te sporen. Het artikel geeft voorts verklaringen voor achterblijvende benutting en bevat adviezen om te komen tot meer benutting. Voor ambtenaren, bestuurders en partners in beleidsnetwerken biedt deze beschouwing aanknopingspunten om researchresultaten desgewenst beter te benutten. En voor onderzoekers bevat dit artikel tal van aanzetten tot hypothesevorming voor verder onderzoek.


Prof. dr. A.F.A. Korsten
Prof. dr. A.F.A. Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit.

drs. Anne Douwe van der Meer AC
Drs. Anne Douwe van der Meer AC is bedrijfseconoom en controller. Hij was werkzaam bij onder andere de Arbeidsvoorziening, het ministerie van Defensie, de gemeentelijke overheid en Deloitte.

    Dit artikel beschrijft een instrument om het effect van lokale rekenkamers mee te meten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende fasen van rekenkameronderzoek: agendering, uitvoering, rekenkamerwerk, rekenkamerproduct en presentatie. Het instrument om het effect van rekenkamers te meten gaat ervan uit dat rekenkamers een bijdrage leveren aan de verbetering van de beleidsvorming, besluitvorming en beleidsuitvoering. De begrippen voorwerking, werking en doorwerking spelen hierbij een belangrijke rol.


Etienne Lemmens
Etienne Lemmens (1958) studeerde economische en sociale geschiedenis te Utrecht. Hij is vanaf 2006 voorzitter van de rekenkamercommissies Brunssum en Landgraaf. Etienne is lid van de commissie kwaliteitszorg van de NVRR. Tevens verricht Etienne bij Prae Advies en Onderzoek beleidsonderzoek, voornamelijk voor sociale partners in diverse sectoren.

    Deze terreinverkenning op basis van literatuuronderzoek handelt over een internationaal actueel, maar nationaal onderbelicht thema dat hier wordt aangeduid als ‘intersectorale governance voor gezondheid’. De verkenning is geschreven voor de landelijke beleidspraktijk, vanuit het perspectief van nationale beleidsambtenaren als potentiële dragers van intersectorale governance. In het licht van de bestuurlijke kernopdracht voor de komende jaren, werken aan een goede gezondheid, wordt aandacht besteed aan het belang van integrale beleidsvoering op centraal niveau en de hardnekkigheid waarmee het actief inzetten ervan uitblijft. Een focus op beleidsambtenaren als dragers van intersectorale governance biedt interessante mogelijkheden om uit die impasse te komen. Zeker als zij daarbij adequaat worden ondersteund door relevant onderzoek.


Wendy Reijmerink
Wendy Reijmerink is onderzoeker bij het lectoraat Public Management: Effectieve Complexe Governance Systemen van de Haagse Hogeschool. Zij is vele jaren werkzaam geweest als nationale beleidsambtenaar op het gebied van volksgezondheid, met speciale aandacht voor de connectie tussen kennis en beleid.

    De verwachtingen over de sociale wijkteams zijn hooggespannen. Menig gemeente ziet het inzetten van de teams als dé nieuwe oplossing in de aanpak van sociale problematiek en de uitdagingen waarvoor zij komen te staan met de transities en bezuinigingen. Tientallen gemeenten hebben in een kort tijdsbestek dergelijke teams ingesteld en nog meer zullen volgen. Maar wat beogen de diverse gemeenten nu precies met de wijkteams? Waar moet hun meerwaarde uit bestaan in de dienstverlening naar (kwetsbare) burgers? Geven gemeenten via de wijkteams invulling en kleur aan de decentralisatie van zorg- en welzijnstaken?


Silke van Arum
Silke van Arum is werkzaam bij Movisie als senior onderzoeker Effectiviteit.

Vasco Lub
Vasco Lub is oprichter van het Bureau voor Sociale Argumentatie. Hij richt zich op grootstedelijke vraagstukken en lokaal sociaal beleid.

    In België voert de Vlaamse overheid een eigen beleid in tal van domeinen, onafhankelijk van de andere regionale overheden in Brussel en Wallonië en van de federale overheid. Zij laat zich bij haar beleid ondersteunen door een netwerk van universiteiten, hogescholen, departementale studiediensten en kenniscentra, en een beperkt aantal verzelfstandigde Vlaamse wetenschappelijke instituten. Daarnaast maakt de Vlaamse overheid ook gebruik van analyses en studies van commerciële gespecialiseerde beleidsonderzoeksbureaus. Sinds de start van het nieuwe millennium wordt de organisatie van beleidsonderzoek in Vlaanderen enerzijds gekenmerkt door een toegenomen institutionalisering van beleidsgerichte onderzoeksprogramma’s, waarbij gekozen werd voor een grotere formalisering en structurering. Anderzijds hebben meer commerciële spelers zich op de markt van beleidsadvisering begeven.


Prof. dr. M. Brans
Prof. dr. M. Brans is verbonden aan het Instituut voor de Overheid/Public Governance Institute van de Katholieke Universiteit Leuven.

    Internationaal stijgt de aandacht voor evidence-based policy (EBP); de term duikt steeds vaker op in het beleidsdiscours. Het empirisch onderzoek naar kennisgebruik en doorwerking van wetenschappelijk onderzoek is evenwel eerder gelimiteerd, al bestaat er consensus dat de doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek beperkt is. De vraag stelt zich of het recente EBP-discours hierin verandering kan brengen. Kan EBP leiden tot meer doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek, gelet op de inherente kenmerken van beleid en wetenschappelijk onderzoek die belangrijke obstakels blijken te vormen voor kennisgebruik en doorwerking? Kunnen we in Vlaanderen reeds spreken over een EBP? Wat verstaan beleidsmakers onder ‘evidence-based’? Is een EBP überhaupt mogelijk? Wat zijn de belangrijkste obstakels voor kennisgebruik volgens beleidsmakers en wat zijn de belangrijkste gebruiksverhogende factoren? In dit artikel wordt aan de hand van een literatuurstudie, een bevraging van (Vlaamse) beleidsmakers en een citaats- en inhoudsanalyse van Vlaamse parlementaire bronnen gepoogd een antwoord te bieden op deze vragen.


Valérie Smet
Dr. Valérie Smet werkt als wetenschappelijk onderzoeker bij het IRCP (Institute for international Research on Criminal Policy), een onderzoeksinstituut van de vakgroep Strafrecht en Criminologie (Universiteit Gent).

    In dit artikel wordt het evaluatieonderzoek van overheidsbeleid kritisch onder de loep genomen. De auteur bespreekt vier alternatieven: responsieve en multipele evaluatie, argumentatieve evaluatie, netwerkgericht evalueren en lerend evalueren. De bevindingen kunnen positief inwerken op het ‘leren van evalueren’ in organisaties.


Prof. dr. A.F.A. Korsten
Prof. dr. A. (Arno) F.A. Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bedrijfs- en bestuurswetenschappen, in het bijzonder bestuurskunde aan de Open Universiteit.

    Sinds een aantal jaren is het voor gemeenten en provincies verplicht om een lokale rekenkamerfunctie in te stellen. Nu de pioniersjaren voorbij zijn, worden veel lokale rekenkamers en rekenkamercommissies geëvalueerd. Gemeenteraden en provinciale staten vragen zich terecht af: wat is de meerwaarde van onze rekenkamer? Om die vraag te beantwoorden wordt in veel evaluaties de ‘doorwerking’ van rekenkameronderzoek gemeten. Op zich is dat een goede methode, maar in de praktijk wordt de doorwerking vaak te eenvoudig onderzocht. Met te eenvoudige conclusies als gevolg. In dit artikel wordt een model geïntroduceerd dat recht doet aan het meervoudige karakter van de doorwerking van rekenkameronderzoek.


Ronald Hoekstra
De auteur is bestuurskundige, werkzaam bij de Rekenkamer Oost-Nederland en actief binnen de Kring Secretarissen & Onderzoekers van de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

    De gemeente Groningen heeft met de inzet van burgerparticipatie nieuw armoedebeleid ontwikkeld. Daarbij is gebruikgemaakt van elementen van een nieuwe onderzoeksmethodiek: de ‘Deliberatieve Peiling’. Dit artikel beschrijft de door Onderzoek en Statistiek (O&S) Groningen ingezette vernieuwende onderzoeksmethode.

    Bij een dergelijke peiling wordt een representatief deel van de doelgroep (in dit geval minima) uitgenodigd mee te werken. Deze groep is zo goed mogelijk (objectief) voorgelicht over de voor- en nadelen die samenhangen met mogelijke keuzes voor nieuw armoedebeleid. We hebben gebruikgemaakt van filmfragmenten om informatie over armoedevraagstukken over te dragen. Op basis daarvan en van de eigen ervaringsdeskundigheid wordt samen met beleidsmakers het nieuwe armoedebeleid vastgesteld.

    Opvallend aan deze aanpak is dat we minima als experts bij de totstandkoming van nieuw armoedebeleid hebben ingezet. Deze experts hebben uiteindelijk onder leiding van speciaal getrainde gespreksleiders gezamenlijk gekozen voor vier thema's. Deze thema's zullen aan de basis liggen van het nieuwe armoedebeleid.


Klaas Kloosterman
Drs. Klaas Kloosterman studeerde psychologie en werkt sinds 1998 bij O&S Groningen, waarvan geruime tijd als senior onderzoeker. Hij doet onderzoek op de gebieden zorg, welzijn, werk en inkomen.

    In dit artikel wordt de effectiviteit van de WBSO-regeling (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) kwantitatief onderzocht. Met de WBSO kunnen bedrijven hun loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk verlagen. De WBSO is een belangrijke pijler van het huidige Nederlandse innovatiebeleid en bestaat sinds 1994. Ze is bedoeld om de omvang van de S&O-uitgaven bij bedrijven in Nederland te stimuleren. De belangrijkste indicator voor de effectiviteit van de WBSO is de zogenoemde 'bang for the buck' (BFTB). De BFTB geeft weer welk bedrag bedrijven extra uitgeven aan speur- en ontwikkelingswerk, per euro genoten WBSO-ondersteuning. Onze analyses laten zien dat de BFTB door de jaren heen ruim hoger is dan 1. Bedrijven die WBSO gebruiken, investeren de genoten WBSO-ondersteuning terug in S&O en doen daar zelf nog iets bovenop. De WBSO-regeling doet daarmee wat het beoogt, namelijk het bevorderen van speur- en ontwikkelingswerk, en is daarom effectief te noemen.


Wim Verhoeven
Wim Verhoeven is senior onderzoeker en accountmanager bij Panteia/EIM.

André van Stel
André van Stel is senior onderzoeker bij Panteia/EIM.

    Samenvatting:
    Het artikel beschrijft een onderzoek dat de auteur heeft verricht naar de relatie tussen ongeschreven regels en de mate van openheid in de beleidsontwikkeling.
    Daarbij is openheid geoperationaliseerd in 'wie je betrekt' en 'hoe je partijen betrekt'.
    Belangrijke ongeschreven regels die werden gevonden, zijn:

    • Besef, we dienen hier de Minister (en de lijn)!

    • Wees zichtbaar naar de lijn toe.

    • Haal je tijdsplanning!

    • Je netwerk is cruciaal!


    Het effect op wie betrokken wordt bij de beleidsontwikkeling, vanuit deze ongeschreven regels is dat er een grens ligt bij de zogenaamde Usual Suspects en experts die geen Usual Suspects zijn. Deze worden geconsulteerd of spelen in voorkomende gevallen een meer volwaardige rol.
    Volgens de auteur van dit artikel is de conclusie gerechtvaardigd te stellen dat ongeschreven regels openheid belemmeren.
    Daarmee kan volgens de auteur ook worden geconcludeerd dat ongeschreven regels bestuurlijke vernieuwing remmen.


Max Herold
Max Herold is senior adviseur bij de Rijksoverheid.
Article

Access_open Doeltreffend en evenwichtig ontwerpen van wetten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, mei 2013
Auteurs André Nijsen, Ab van den Burg en Jaap Stumphius
SamenvattingAuteursinformatie

    Wetten beantwoorden lang niet altijd aan hun primaire doel: het reguleren van een maatschappelijk probleem. In toenemende mate lijken wetten smeerolie voor politieke processen. Dat kan en moet anders, gelet op de grote maatschappelijke risico's. Daarom zou al in de voorbereidings- en ontwerpfase van een wet een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin wordt vastgelegd waaraan een wet ten minste moet voldoen om de realisatie van het betrokken publieke doel te borgen. Een dergelijke aanpak noemen we doeltreffend en evenwichtig wetgeven. 'Den Haag' lijkt echter te berusten in de huidige eenzijdige praktijk in de politieke besluitvorming. Hoe is dat te veranderen? Hierover gaat dit artikel.


André Nijsen
dr. André Nijsen is zelfstandig adviseur en sociaal-economisch onderzoeker.

Ab van den Burg
ir. Ab van den Burg is partner bij Van de Geijn Partners.

Jaap Stumphius
drs. Jaap Stumphius is zelfstandig onderzoeker.
Article

Access_open Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, februari 2013
Auteurs Jolijn Broekhuizen, Ron van Wonderen en Erik van Marissing
Samenvatting

    Onderzoek van Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam en het Verwey-Jonker Instituut wijst uit dat het ervaren van overlast door kinderen en jongeren een van de belangrijkste oorzaken van spanningen tussen bevolkingsgroepen in buurten is. De mate van publieke familiariteit is bepalend voor de mate waarin deze overlast voor spanningen zorgt. In buurten met weinig publieke familiariteit (her)kennen bewoners elkaar niet en voelen ze zich niet vertrouwd. Ze durven jongeren en hun ouders niet aan te spreken, waardoor het ervaren van jeugdoverlast kan leiden tot opgekropte irritaties en spanningen. Hetzelfde geldt voor buurten waar bewoners weinig ruggensteun ervaren van instanties. Bewoners hebben het gevoel dat hun meldingen van overlast niet serieus genomen worden en dat ze er alleen voor staan, wat leidt tot frustraties en spanningen.


Jolijn Broekhuizen

Ron van Wonderen

Erik van Marissing
Article

Access_open De beleving van bestuurlijke drukte

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, januari 2013
Auteurs Rob van de Peppel, Helma Pol en Dick Hoek
SamenvattingAuteursinformatie

    Met een recent onderzoek onder Overijsselse bestuurders is voor het eerst kwantitatief gemeten hoe bestuurlijke drukte door bestuurders zelf wordt ervaren. De aanleiding voor dit onderzoek vormde het hoofdlijnenakkoord 'De Kracht van Overijssel', waarin terugdringing van bestuurlijke drukte in Overijssel expliciet wordt genoemd als middel om de kwaliteit van het openbaar bestuur in Overijssel verder te verhogen. De vraag die in het onderzoek naar bestuurlijke drukte in Overijssel centraal stond, was exploratief: hoe ervaren bestuurders zelf bestuurlijke drukte? En, hoeveel bestuurders ervaren bestuurlijke drukte als een probleem? Uit dit onderzoek komt naar voren dat bestuurlijke drukte als fenomeen bekend is bij vrijwel alle bestuurders en dat een substantieel deel het als een probleem beschouwt. Daarbij moeten we wel aantekenen dat van degenen die bestuurlijke drukte als een probleem zien, de meesten de omvang van het probleem 'beperkt' noemen.


Rob van de Peppel
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

Helma Pol
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

Dick Hoek
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

    Met de Atlas voor gemeenten en Beste gemeente beschikt Nederland over twee brede ranglijsten. Omgeven met een redelijke hoeveelheid publiciteit belanden ze elk jaar in de postbakjes van colleges van B en W en beleidsadviseurs. Wie beide lijsten met elkaar vergelijkt, wacht een flinke verrassing: de top tien van de één lijkt nauwelijks op die van de ander. Verschillen de lijsten ook verder nog van elkaar? Waar komen de verschillen vandaan? En kunnen we iets zeggen over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid? Dit zijn enkele van de vragen die in het onderstaande artikel aan de orde komen.


Diederik Brouwer
Diederik Brouwer is zelfstandig beleidsonderzoeker en adviseur, hij is werkzaam voor lokale overheden, rekenkamers en maatschappelijke instellingen.
Toont 21 - 40 van 49 gevonden teksten
« 1 2
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.