Zoekresultaat: 89 artikelen

x

    De verwachtingen over de sociale wijkteams zijn hooggespannen. Menig gemeente ziet het inzetten van de teams als dé nieuwe oplossing in de aanpak van sociale problematiek en de uitdagingen waarvoor zij komen te staan met de transities en bezuinigingen. Tientallen gemeenten hebben in een kort tijdsbestek dergelijke teams ingesteld en nog meer zullen volgen. Maar wat beogen de diverse gemeenten nu precies met de wijkteams? Waar moet hun meerwaarde uit bestaan in de dienstverlening naar (kwetsbare) burgers? Geven gemeenten via de wijkteams invulling en kleur aan de decentralisatie van zorg- en welzijnstaken?


Silke van Arum
Silke van Arum is werkzaam bij Movisie als senior onderzoeker Effectiviteit.

Vasco Lub
Vasco Lub is oprichter van het Bureau voor Sociale Argumentatie. Hij richt zich op grootstedelijke vraagstukken en lokaal sociaal beleid.

    In de rationele benadering wordt beleid planmatig ontwikkeld en uitgevoerd: beleidsdoelen vormen het uitgangspunt en via kennis en informatie wordt gezocht naar middelen om die doelen te bereiken. Beleidsonderzoekers zou je dan ook kunnen beschouwen als ultieme aanhangers van een rationele benadering van beleid. Zij hanteren in hun werk logische redeneringen met betrekking tot feiten, opinies en waarnemingen om tot hun conclusies te komen. De conclusies van beleidsonderzoekers worden echter lang niet altijd opgevolgd door hun opdrachtgevers. Je hoeft niet ver te zoeken naar verklaringen om te zien hoe dat komt.


Peter van Hoesel
Peter van Hoesel is (emeritus) hoogleraar Toegepast Beleidsonderzoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    In België voert de Vlaamse overheid een eigen beleid in tal van domeinen, onafhankelijk van de andere regionale overheden in Brussel en Wallonië en van de federale overheid. Zij laat zich bij haar beleid ondersteunen door een netwerk van universiteiten, hogescholen, departementale studiediensten en kenniscentra, en een beperkt aantal verzelfstandigde Vlaamse wetenschappelijke instituten. Daarnaast maakt de Vlaamse overheid ook gebruik van analyses en studies van commerciële gespecialiseerde beleidsonderzoeksbureaus. Sinds de start van het nieuwe millennium wordt de organisatie van beleidsonderzoek in Vlaanderen enerzijds gekenmerkt door een toegenomen institutionalisering van beleidsgerichte onderzoeksprogramma’s, waarbij gekozen werd voor een grotere formalisering en structurering. Anderzijds hebben meer commerciële spelers zich op de markt van beleidsadvisering begeven.


Prof. dr. M. Brans
Prof. dr. M. Brans is verbonden aan het Instituut voor de Overheid/Public Governance Institute van de Katholieke Universiteit Leuven.

    Internationaal stijgt de aandacht voor evidence-based policy (EBP); de term duikt steeds vaker op in het beleidsdiscours. Het empirisch onderzoek naar kennisgebruik en doorwerking van wetenschappelijk onderzoek is evenwel eerder gelimiteerd, al bestaat er consensus dat de doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek beperkt is. De vraag stelt zich of het recente EBP-discours hierin verandering kan brengen. Kan EBP leiden tot meer doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek, gelet op de inherente kenmerken van beleid en wetenschappelijk onderzoek die belangrijke obstakels blijken te vormen voor kennisgebruik en doorwerking? Kunnen we in Vlaanderen reeds spreken over een EBP? Wat verstaan beleidsmakers onder ‘evidence-based’? Is een EBP überhaupt mogelijk? Wat zijn de belangrijkste obstakels voor kennisgebruik volgens beleidsmakers en wat zijn de belangrijkste gebruiksverhogende factoren? In dit artikel wordt aan de hand van een literatuurstudie, een bevraging van (Vlaamse) beleidsmakers en een citaats- en inhoudsanalyse van Vlaamse parlementaire bronnen gepoogd een antwoord te bieden op deze vragen.


Valérie Smet
Dr. Valérie Smet werkt als wetenschappelijk onderzoeker bij het IRCP (Institute for international Research on Criminal Policy), een onderzoeksinstituut van de vakgroep Strafrecht en Criminologie (Universiteit Gent).

    In dit artikel wordt het evaluatieonderzoek van overheidsbeleid kritisch onder de loep genomen. De auteur bespreekt vier alternatieven: responsieve en multipele evaluatie, argumentatieve evaluatie, netwerkgericht evalueren en lerend evalueren. De bevindingen kunnen positief inwerken op het ‘leren van evalueren’ in organisaties.


Prof. dr. A.F.A. Korsten
Prof. dr. A. (Arno) F.A. Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bedrijfs- en bestuurswetenschappen, in het bijzonder bestuurskunde aan de Open Universiteit.

    Sinds een aantal jaren is het voor gemeenten en provincies verplicht om een lokale rekenkamerfunctie in te stellen. Nu de pioniersjaren voorbij zijn, worden veel lokale rekenkamers en rekenkamercommissies geëvalueerd. Gemeenteraden en provinciale staten vragen zich terecht af: wat is de meerwaarde van onze rekenkamer? Om die vraag te beantwoorden wordt in veel evaluaties de ‘doorwerking’ van rekenkameronderzoek gemeten. Op zich is dat een goede methode, maar in de praktijk wordt de doorwerking vaak te eenvoudig onderzocht. Met te eenvoudige conclusies als gevolg. In dit artikel wordt een model geïntroduceerd dat recht doet aan het meervoudige karakter van de doorwerking van rekenkameronderzoek.


Ronald Hoekstra
De auteur is bestuurskundige, werkzaam bij de Rekenkamer Oost-Nederland en actief binnen de Kring Secretarissen & Onderzoekers van de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

    De gemeente Groningen heeft met de inzet van burgerparticipatie nieuw armoedebeleid ontwikkeld. Daarbij is gebruikgemaakt van elementen van een nieuwe onderzoeksmethodiek: de ‘Deliberatieve Peiling’. Dit artikel beschrijft de door Onderzoek en Statistiek (O&S) Groningen ingezette vernieuwende onderzoeksmethode.

    Bij een dergelijke peiling wordt een representatief deel van de doelgroep (in dit geval minima) uitgenodigd mee te werken. Deze groep is zo goed mogelijk (objectief) voorgelicht over de voor- en nadelen die samenhangen met mogelijke keuzes voor nieuw armoedebeleid. We hebben gebruikgemaakt van filmfragmenten om informatie over armoedevraagstukken over te dragen. Op basis daarvan en van de eigen ervaringsdeskundigheid wordt samen met beleidsmakers het nieuwe armoedebeleid vastgesteld.

    Opvallend aan deze aanpak is dat we minima als experts bij de totstandkoming van nieuw armoedebeleid hebben ingezet. Deze experts hebben uiteindelijk onder leiding van speciaal getrainde gespreksleiders gezamenlijk gekozen voor vier thema's. Deze thema's zullen aan de basis liggen van het nieuwe armoedebeleid.


Klaas Kloosterman
Drs. Klaas Kloosterman studeerde psychologie en werkt sinds 1998 bij O&S Groningen, waarvan geruime tijd als senior onderzoeker. Hij doet onderzoek op de gebieden zorg, welzijn, werk en inkomen.

    In dit artikel wordt de effectiviteit van de WBSO-regeling (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) kwantitatief onderzocht. Met de WBSO kunnen bedrijven hun loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk verlagen. De WBSO is een belangrijke pijler van het huidige Nederlandse innovatiebeleid en bestaat sinds 1994. Ze is bedoeld om de omvang van de S&O-uitgaven bij bedrijven in Nederland te stimuleren. De belangrijkste indicator voor de effectiviteit van de WBSO is de zogenoemde 'bang for the buck' (BFTB). De BFTB geeft weer welk bedrag bedrijven extra uitgeven aan speur- en ontwikkelingswerk, per euro genoten WBSO-ondersteuning. Onze analyses laten zien dat de BFTB door de jaren heen ruim hoger is dan 1. Bedrijven die WBSO gebruiken, investeren de genoten WBSO-ondersteuning terug in S&O en doen daar zelf nog iets bovenop. De WBSO-regeling doet daarmee wat het beoogt, namelijk het bevorderen van speur- en ontwikkelingswerk, en is daarom effectief te noemen.


Wim Verhoeven
Wim Verhoeven is senior onderzoeker en accountmanager bij Panteia/EIM.

André van Stel
André van Stel is senior onderzoeker bij Panteia/EIM.

    Samenvatting:
    Het artikel beschrijft een onderzoek dat de auteur heeft verricht naar de relatie tussen ongeschreven regels en de mate van openheid in de beleidsontwikkeling.
    Daarbij is openheid geoperationaliseerd in 'wie je betrekt' en 'hoe je partijen betrekt'.
    Belangrijke ongeschreven regels die werden gevonden, zijn:

    • Besef, we dienen hier de Minister (en de lijn)!

    • Wees zichtbaar naar de lijn toe.

    • Haal je tijdsplanning!

    • Je netwerk is cruciaal!


    Het effect op wie betrokken wordt bij de beleidsontwikkeling, vanuit deze ongeschreven regels is dat er een grens ligt bij de zogenaamde Usual Suspects en experts die geen Usual Suspects zijn. Deze worden geconsulteerd of spelen in voorkomende gevallen een meer volwaardige rol.
    Volgens de auteur van dit artikel is de conclusie gerechtvaardigd te stellen dat ongeschreven regels openheid belemmeren.
    Daarmee kan volgens de auteur ook worden geconcludeerd dat ongeschreven regels bestuurlijke vernieuwing remmen.


Max Herold
Max Herold is senior adviseur bij de Rijksoverheid.

Fred Fleurke
Prof. dr. Fred Fleurke is emeritus professor aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Article

Access_open Doeltreffend en evenwichtig ontwerpen van wetten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, mei 2013
Auteurs André Nijsen, Ab van den Burg en Jaap Stumphius
SamenvattingAuteursinformatie

    Wetten beantwoorden lang niet altijd aan hun primaire doel: het reguleren van een maatschappelijk probleem. In toenemende mate lijken wetten smeerolie voor politieke processen. Dat kan en moet anders, gelet op de grote maatschappelijke risico's. Daarom zou al in de voorbereidings- en ontwerpfase van een wet een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin wordt vastgelegd waaraan een wet ten minste moet voldoen om de realisatie van het betrokken publieke doel te borgen. Een dergelijke aanpak noemen we doeltreffend en evenwichtig wetgeven. 'Den Haag' lijkt echter te berusten in de huidige eenzijdige praktijk in de politieke besluitvorming. Hoe is dat te veranderen? Hierover gaat dit artikel.


André Nijsen
dr. André Nijsen is zelfstandig adviseur en sociaal-economisch onderzoeker.

Ab van den Burg
ir. Ab van den Burg is partner bij Van de Geijn Partners.

Jaap Stumphius
drs. Jaap Stumphius is zelfstandig onderzoeker.

    In dit artikel bespreekt Peter van Hoesel het essay ‘Van waarheidsvinding naar publieke waarde’ van de auteurs Arjan van Daal, Paul Misdorp en Mark van Twist. Het essay geeft een inkijk in de rol en positie van onderzoekbureaus bij de decentrale overheden, waarvan de grootste categorie de gemeentelijke onderzoekbureaus betreft die bekendstaan als ‘bureaus voor onderzoek en statistiek’.


Peter van Hoesel
Peter van Hoesel is (emeritus) hoogleraar Toegepast Beleidsonderzoek aan de Erasmus universiteit Rotterdam.
Article

Access_open Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, februari 2013
Auteurs Jolijn Broekhuizen, Ron van Wonderen en Erik van Marissing
Samenvatting

    Onderzoek van Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam en het Verwey-Jonker Instituut wijst uit dat het ervaren van overlast door kinderen en jongeren een van de belangrijkste oorzaken van spanningen tussen bevolkingsgroepen in buurten is. De mate van publieke familiariteit is bepalend voor de mate waarin deze overlast voor spanningen zorgt. In buurten met weinig publieke familiariteit (her)kennen bewoners elkaar niet en voelen ze zich niet vertrouwd. Ze durven jongeren en hun ouders niet aan te spreken, waardoor het ervaren van jeugdoverlast kan leiden tot opgekropte irritaties en spanningen. Hetzelfde geldt voor buurten waar bewoners weinig ruggensteun ervaren van instanties. Bewoners hebben het gevoel dat hun meldingen van overlast niet serieus genomen worden en dat ze er alleen voor staan, wat leidt tot frustraties en spanningen.


Jolijn Broekhuizen

Ron van Wonderen

Erik van Marissing
Article

Access_open De beleving van bestuurlijke drukte

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, januari 2013
Auteurs Rob van de Peppel, Helma Pol en Dick Hoek
SamenvattingAuteursinformatie

    Met een recent onderzoek onder Overijsselse bestuurders is voor het eerst kwantitatief gemeten hoe bestuurlijke drukte door bestuurders zelf wordt ervaren. De aanleiding voor dit onderzoek vormde het hoofdlijnenakkoord 'De Kracht van Overijssel', waarin terugdringing van bestuurlijke drukte in Overijssel expliciet wordt genoemd als middel om de kwaliteit van het openbaar bestuur in Overijssel verder te verhogen. De vraag die in het onderzoek naar bestuurlijke drukte in Overijssel centraal stond, was exploratief: hoe ervaren bestuurders zelf bestuurlijke drukte? En, hoeveel bestuurders ervaren bestuurlijke drukte als een probleem? Uit dit onderzoek komt naar voren dat bestuurlijke drukte als fenomeen bekend is bij vrijwel alle bestuurders en dat een substantieel deel het als een probleem beschouwt. Daarbij moeten we wel aantekenen dat van degenen die bestuurlijke drukte als een probleem zien, de meesten de omvang van het probleem 'beperkt' noemen.


Rob van de Peppel
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

Helma Pol
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

Dick Hoek
De auteurs zijn bestuurskundigen die werkzaam zijn bij een onderzoeksafdeling van een overheidsorganisatie en bij een zelfstandig onderzoeksbureau.

    Met de Atlas voor gemeenten en Beste gemeente beschikt Nederland over twee brede ranglijsten. Omgeven met een redelijke hoeveelheid publiciteit belanden ze elk jaar in de postbakjes van colleges van B en W en beleidsadviseurs. Wie beide lijsten met elkaar vergelijkt, wacht een flinke verrassing: de top tien van de één lijkt nauwelijks op die van de ander. Verschillen de lijsten ook verder nog van elkaar? Waar komen de verschillen vandaan? En kunnen we iets zeggen over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid? Dit zijn enkele van de vragen die in het onderstaande artikel aan de orde komen.


Diederik Brouwer
Diederik Brouwer is zelfstandig beleidsonderzoeker en adviseur, hij is werkzaam voor lokale overheden, rekenkamers en maatschappelijke instellingen.

Frans Leeuw
Frans Leeuw is werkzaam bij het WODC en de Universiteit Maastricht.

Bastiaan Leeuw
Bastiaan Leeuw is werkzaam bij de Universiteit Maastricht, hij werkt aan een proefschrift over het fenomeen digitale piraterij en onderzoekt o.a. interventies die daarop gericht zijn.
Article

Access_open Agent Based Modeling: het simuleren van nalevingsgedrag

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, november 2012
Auteurs Esther van Asselt, Sjoukje Osinga, Mariska Asselman e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Nalevingsgedrag wordt door een aantal factoren beïnvloed. Deze factoren zijn door het ministerie van Justitie samengevat in de Tafel van Elf, die zowel spontane nalevings- als handhavingsdimensies bevat. Elk individu gaat verschillend om met deze dimensies. Om overall iets te kunnen zeggen over het nalevingsgedrag van een doelgroep dienen de verschillende individuen/bedrijven en hun interacties beschreven te worden. Dit is mogelijk door gebruik te maken van Agent-Based Modeling (ABM). ABM is in het hier beschreven onderzoek toegepast in een casestudie naar correct gebruik van antibiotica door varkenshouders. Simulaties lieten zien dat een hoog nalevingsniveau bereikt kan worden door een hoge mate van acceptatie van de wetgeving, waarbij enige mate van inspectie nodig zal blijven. Verder bleek dat het gedrag van varkenshouders beïnvloed wordt door het nalevingsgedrag van varkenshouders in de omgeving. Voor zover ons bekend is dit de eerste toepassing van ABM op het gebied van naleving en toezicht.


Esther van Asselt
Esther van Asselt is werkzaam bij RIKILT - Institute of Food Savety, Universiteit Wageningen.

Sjoukje Osinga
Sjoukje Osinga is werkzaam bij Logistics Decision & Information Sciences, Universiteit Wageningen.

Mariska Asselman
Mariska Asselman is werkzaam bij RIKILT - Institute of Food Safety, Universiteit Wageningen.

Piet Sterrenburg
Piet Sterrenburg is werkzaam bij RIKILT - Institute of Food Safety, Universiteit Wageningen.

    Recensie van het boek Management van beleidsonderzoek. Handreiking voor verdere professionalisering van een dynamisch vakgebied, onder redactie van Bart Dekker, Peter van Hoesel en Yvonne Prince, Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2011


Marc Vermeulen
Prof. dr. Marc Vermeulen is 25 jaar actief in beleidsonderzoek, de laatste zeven jaar als directeur van IVA, een aan Tilburg University gelieerd instituut voor beleidsonderzoek en - advies.

    Het aandeel van de industrie in de Nederlandse economie neemt structureel af. Deze ontwikkeling wordt versterkt door een tekort aan binnenlands aanbod van technici: de belangstelling voor technische opleidingen is sterk teruggelopen. In de toekomst dreigt het tekort aan technici verder op te lopen, waardoor de positie van de Nederlandse industrie verder onder druk komt te staan. Voor een open economie als die van Nederland is de industrie, die het overgrote deel van de export voor zijn rekening neemt, echter van grote betekenis. Ook biedt de industrie relatief goed betaalde banen voor werknemers die anders aangewezen zouden zijn op laag betaalde arbeid of geen baan zouden kunnen krijgen. Om de dalende trend te keren moeten meer jongeren geïnteresseerd worden in een technische opleiding. In het artikel komt uitvoerig aan de orde hoe dat kan.


Jaap de Koning
Jaap de Koning is gepromoveerd econometrist en doet beleidsonderzoek en wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de arbeidsmarkt.

    Wij betogen dat er een aantal goede redenen is om rekening te houden met onzekerheid in het beleidsonderzoek. Centraal staat daarbij het uitgangspunt dat de toekomst open is, maar niet leeg. In beleidsonderzoek is het zaak om die open, maar niet lege toekomst voor beslissers in beeld te brengen. Door met verschillende mogelijke toekomstbeelden te werken kan het beleid robuuster worden vormgegeven. Is dit beleid nog steeds een goede keuze als zaken in de toekomst toch anders lopen dan we nu denken? Door onzekerheden zichtbaar te maken wordt de bestuurder bewust gemaakt van de keuzes die hij maakt, worden nieuwe alternatieven zichtbaar en daarmee zijn geest 'opgerekt'. Ook uit maatschappelijk oogpunt is het nadrukkelijker rekening houden met onzekerheid over de toekomst wenselijk: mogelijke overinvesteringen kunnen worden voorkomen. We presenteren niet alleen het 'klassieke' scenariodenken, maar ook relatief nieuwe ontwikkelingen als radicale onzekerheid ('black swans'), normatieve scenario's en adaptief beleid ('adaptive policymaking').


Hans Peter Benschop
Hans Peter Benschop leidt het Trendbureau Overijssel, een bureau dat toekomstverkenningen maakt voor de politieke besluitvorming.

Klaas Veenma
Klaas Veenma is senior beleidsonderzoeker bij de provincie Overijssel.
Toont 61 - 80 van 89 gevonden teksten
1 2 4
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.