Citeerwijze van dit artikel:
Bart Dekker, ‘Bespreking van: Karin Wittebrood & Robbert Braak, Onderzoeksgedoe: Hoe kan je als wetenschappelijk onderzoeker integer omgaan met complexe druk?, Den Haag: Boom bestuurskunde 2022’, 2022, oktober-december, DOI: 10.5553/BO/221335502022012

DOI: 10.5553/BO/221335502022012

Beleidsonderzoek OnlineAccess_open

Boekbespreking

Bespreking van: Karin Wittebrood & Robbert Braak, Onderzoeksgedoe: Hoe kan je als wetenschappelijk onderzoeker integer omgaan met complexe druk?, Den Haag: Boom bestuurskunde 2022

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Bart Dekker, 'Bespreking van: Karin Wittebrood & Robbert Braak, Onderzoeksgedoe: Hoe kan je als wetenschappelijk onderzoeker integer omgaan met complexe druk?, Den Haag: Boom bestuurskunde 2022', Beleidsonderzoek Online december 2022, DOI: 10.5553/BO/221335502022012

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Wat een gedoe …

      Dat zullen we allemaal weleens verzuchten. Hoewel strikt genomen niets anders dan een tot zelfstandig naamwoord gevormd werkwoord (analoog aan woorden als ‘geklop’ en ‘gejuich’) heeft deze term in het dagelijkse gebruik een negatieve connotatie. Inspanningen zonder veel nut, onduidelijke handelingen die veel moeite kosten, een moeizame bezigheid of een geheel van omslachtigheden zijn betekenissen die je op het web tegenkomt.

      Het boek Onderzoeksgedoe gaat dan ook niet sec over het doen van onderzoek. De hoofdvraag is hoe als wetenschappelijk onderzoeker integer om te gaan met onderzoeksgedoe in het werk. Onderzoeksgedoe is volgens de auteurs datgene wat een onderzoeker het gevoel geeft niet effectief te kunnen handelen en waardoor diens wetenschappelijke integriteit mogelijk in het geding komt. Dit gevoel van ongezonde spanning of druk is het gevolg van externe beïnvloeding.

      Het boek wil handvatten bieden om integer en effectief met onderzoeksgedoe om te gaan en de wetenschappelijke integriteit van de lezer te versterken. De auteurs schrijven echter geen pasklare oplossingen te kunnen bieden, omdat concrete praktijksituaties altijd contextgebonden zijn. Individuele onderzoekers kunnen onderzoeksgedoe anders ervaren en uiteenlopende, soms schurende, waarden hebben. Het is niet altijd duidelijk wanneer er sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit.

      De auteurs willen de onderzoeker equiperen om in situaties van onderzoeksgedoe tot passende keuzes te komen. Daarvoor is dieper inzicht nodig enerzijds in wat als onderzoeksgedoe wordt ervaren en anderzijds in de eigen kwaliteiten, overtuigingen, waarden en identiteit van de onderzoeker. Een tocht in tien hoofdstukken langs onder meer een analytisch schema onderzoeksdruk, de betekenis van ­(wetenschappelijke) integriteit, het model van logische niveaus van Legasov, de kernkwadranten van Ofman, een batterij van reflectieve vragen, columns van ­enkele kenniswerkers uit de praktijk over hun ‘zweetmomentjes’ en een aantal ­illustratieve scènes uit speelfilms, die op een aparte website zijn te bekijken, moeten de lezer aan dat inzicht helpen. Last but not least geven de auteurs de lezer een aantal tips mee, onder andere om minder in termen van dilemma’s (‘of-of’) te denken en meer te doen aan ‘paradoxaal denken’ (‘en-en’).

    • Beleidsonderzoek?

      Het boek is gericht op wetenschappelijke onderzoekers, maar gaat meestal over kenniswerkers op het snijvlak van onderzoek en politiek/beleid. Ofwel: beleids­onderzoekers. Meteen al in de eerste alinea van het voorwoord (van Eppo Bruins) gaat het over wetenschap en politiek, en hoe als onderzoeker integer te blijven in een context waarin niet alleen feiten, maar ook belangen een rol spelen. En in het woord vooraf beschrijft een van de auteurs hoe de WODC-affaire een grote indruk op haar maakte. De term beleidsonderzoek wordt in het boek echter geen enkele keer gebruikt, en er wordt dus evenmin verwezen naar de (ook Nederlandse) ­beleidsonderzoeksliteratuur, waarin over het onderwerp van het boek het nodige is geschreven.

    • De vlag en de lading

      Vanuit het oogpunt van marketing van een boek en trainingen is het te begrijpen dat de auteurs, zelfstandig onderzoeker/coach respectievelijk trainer, hebben gezocht naar een label dat nog te claimen was. Maar dekt de vlag de lading? Waar de centrale vraag in het boek zelf geformuleerd is als hoe om te gaan met onderzoeksgedoe, gaat het in de ondertitel om de omgang met complexe druk. Dat is niet hetzelfde. Gedoe is een activiteit en druk iets dat wordt ervaren c.q. ondergaan. Het boek gaat over het laatste. De term onderzoeksgedoe is eigenlijk overbodig en bovendien ongelukkig, omdat de alledaagse, geaccepteerde betekenis van gedoe verwijst naar weinig nuttige, omslachtige handelingen, die niet zoveel met de kern van de zaak te maken hebben. Bij onderzoeksgedoe denk je in eerste instantie aan dingen als het invullen van subsidieaanvraagformulieren of aanbestedingsdocumenten, tijdregistratie of lange stafvergaderingen. Dingen die weinig te maken hebben met het primaire proces van onderzoek doen. Maar omgang met druk, met beïnvloeding door anderen, is bij beleidsonderzoek juist een essentieel onderdeel van het werk, en geen bijkomstig gedoe.

    • Vaarroute

      Er is dus wat aan te merken op de vlag. Hoe zit het dan met de aanvoer van de ­lading? De auteurs doen hun best de onderzoekende lezer te begeleiden bij diens zelfontdekkingstocht. Het boek is leesbaar geschreven en de materie wordt in afwisselende vormen aangeboden. Niet alles is echter even aansprekend. De hoofdstukken over logische niveaus en kernkwadranten en de vele reflectievragen doen wat plichtmatig uitgesponnen aan. Er is gekozen voor een bepaalde beker (een model, een bepaalde opzet) en die moet dan tot de laatste druppel worden geledigd. Daartegenover geven de columns en filmfragmenten meer kleur aan het boek. De columns staan wat los van de rest van de tekst, ze zijn niet zoals de filmclips ingebed in de verhaallijn en de vragen aan de lezer. De illustratieve waarde van de filmfragmenten varieert, mede door de keuze van de scènes, en de noodzakelijke beperkingen qua tijdsduur en contextduiding.
      Het boek zou gebaat zijn bij meer en beter uitgewerkte casuïstiek uit de praktijk. Een gemiste kans is de WODC-affaire, die blijkbaar een van de aanleidingen voor het boek was. In een kort tekstkader worden deze affaire en zijn gevolgen wel heel summier beschreven, terwijl de, soms tegenstrijdige, uitkomsten van de drie onderzoeken naar deze affaire het nodige voer tot nadenken, reflectie en discussie geven.

    • Paradoxen en/of dilemma’s?

      Hoe zit het met de lading zelf? Wat geven de auteurs onderzoekers mee die in de praktijk te maken krijgen met druk en schurende waarden? In een casus vragen zij de lezer zich te verplaatsen in een onderzoeker die een model heeft ontwikkeld voor de verdeling van publieke middelen en die na ingebruikname van het model ontdekt dat daar een fout in zit. Wat te doen? De opdrachtgever direct informeren met als mogelijke consequenties reputatie- en andere (bijvoorbeeld financiële) schade voor de eigen organisatie, of de fout juist verzwijgen vanwege die consequenties?
      Hier schuren, in de woorden van de auteurs, de waarden eerlijkheid en loyaliteit aan de eigen organisatie. Waar de onderzoeker normaal gesproken eerlijkheid hoog in het vaandel heeft staan, kan in een spannende situatie als deze volgens de auteurs een ‘oprechte herschikking van waarden’ plaatsvinden. Door de situatie te framen kan een keuze voor zwijgen worden gerationaliseerd. De auteurs bedoelen het niet zo, en schrijven het met de nodige armslagen en tips op, maar toch is het onderscheid met het recht praten van een keuze voor het eigen belang op zijn zachtst gezegd flinterdun.

      Een andere oplossing die de auteurs aanreiken, is het combineren van tegengestelde waarden, door minder in dilemma’s en meer paradoxaal te denken. In de betreffende casus zou de onderzoeker de evaluatie van het model met de opdrachtgever meer naar voren kunnen halen teneinde een betere context te creëren om het over de fout te hebben. Of de onderzoeker zou de fout in lezingen over modelontwikkeling kunnen gebruiken. Dat lijken geen gelukkige voorbeelden van paradoxaal denken. In beide gevallen wordt de fout, zij het vertraagd of indirect, bekendgemaakt, met een kans op nog grotere schade. Want opdrachtgevers zullen dergelijke manieren van informeren zeker niet kunnen waarderen.

      Het is te prijzen dat de auteurs proberen pragmatisch te denken en niet in een stand van prinzipienreiterei willen schieten. Maar beleidsonderzoekers zullen in de praktijk worden geconfronteerd met echte dilemma’s, die geen schijnbare tegenstellingen zijn of daartoe kunnen worden getransformeerd. Dan is het een kwestie van kiezen tussen twee kwaden.
      Vanwege de aard van hun vak en missie – door de productie van kennis bijdragen aan beter beleid en een betere samenleving – zullen beleidsonderzoekers geneigd (moeten) zijn te kiezen voor de integriteit van hun onderzoek.

      Politici en beleidsmakers zullen geneigd zijn te kiezen voor de beste wegen om zoveel mogelijk van hun beleidsdoelen te realiseren. Dat vergt behendig opereren, onderhandelen en geschipper. Een voorbeeld is te vinden in de bijdrage die Jet Bussemaker aan het boek leverde. Zij beschrijft een hoogoplopend conflict dat zij als staatssecretaris in het kabinet-Balkende IV met minister André Rouvoet kreeg over embryoselectie in het geval van ernstige erfelijke borstkanker. Haar Kamerbrief daarover moest van Rouvoet van tafel. Na een intensief proces van onderhandelen, waarbij topambtenaren en een grote groep van experts een rol speelden, kwam er een bijna helemaal herschreven brief. Hoewel volgens Bussemaker de inhoud van de brief fier overeind stond, bespeur je bij haar een zeker ongemak over deze gang van zaken. Hier was duidelijk sprake van spanning en druk als gevolg van beïnvloeding. Maar politiek gedoe kan en mag je dat niet noemen. Want hé, dat is de essentie van politiek!

    • Baken?

      De relatie tussen wetenschap/beleidsonderzoek aan de ene kant en politiek/beleid aan de andere kant blijft een lastig en complex onderwerp. Het is de vraag of ­Onderzoeksgedoe hierbij voor de onderzoeker een zinvolle gids is. De auteurs worstelen zelf zowel begripsmatig als praxiologisch met dit onderwerp. Waar gaat het boek nu over? Omgaan met onderzoeksgedoe – en is dat dan niet een heel ongelukkige term om een essentieel onderdeel van (beleids)onderzoek mee aan te duiden? Of is het onderwerp omgaan met complexe druk? Of specifieker ‘lef bij complexe druk’, zoals de training heette die aan het boek voorafging? En waar zit hem dan dat complexe in?
      Waar het handelingsperspectieven betreft, dreigt de situationele en subjectgebonden insteek van de auteurs uit te lopen op een te ver doorschietend relativisme. Anything goes, als je de eigen waarden maar voldoende herschikt of vergaand ‘paradoxaal’ kunt denken.
      Onderzoeksgedoe is dus niet een helder baken voor de onderzoeker die in het spanningsveld van wetenschap en beleid koers zoekt. Op zijn best vindt hij of zij in het gevarieerde materiaal dat de auteurs bij elkaar hebben gebracht, enkele flonkeringen die tot denken aanzetten.

Reageer

Tekst


Print dit artikel