Citeerwijze van dit artikel:
Peter van der Knaap, ‘Het ‘dekoloniseren’ van ontwikkelingssamenwerking en evaluatieonderzoek: niet vertrekken, maar het perspectief kantelen – van donor naar ontvanger’, 2024, januari-maart, DOI: 10.5553/BO/221335502024004

DOI: 10.5553/BO/221335502024004

Beleidsonderzoek OnlineAccess_open

Column

Het ‘dekoloniseren’ van ontwikkelingssamenwerking en evaluatieonderzoek: niet vertrekken, maar het perspectief kantelen – van donor naar ontvanger

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Samenvatting Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Peter van der Knaap, 'Het ‘dekoloniseren’ van ontwikkelingssamenwerking en evaluatieonderzoek: niet vertrekken, maar het perspectief kantelen – van donor naar ontvanger', Beleidsonderzoek Online maart 2024, DOI: 10.5553/BO/221335502024004

    De begrippen ‘ontwikkeling’ en ‘hulp’ hebben voor velen een ongemakkelijke klank: er klinken superioriteit en ongelijke verhoudingen uit op. Die laatste worden nog eens versterkt door het uitvoeren van ‘top-down’ evaluaties. In plaats van hulp zouden we moeten spreken over ‘internationale samenwerking’, responsief moeten evalueren en vooral hard moeten werken aan het eerlijker maken van handel en financiën. ‘Dekoloniseren’ betekent volgens Peter van der Knaap daarbij niet zozeer dat je vertrekt, maar dat je als onderzoeker je perspectief kantelt.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Het gebeurde onlangs tijdens een bijeenkomst in Parijs, waar het evaluatienetwerk voor ontwikkelingssamenwerking van OESO-landen bijeen was. Candice Morkel, directeur van het Centre for Learning on Evaluation and Results in Johannesburg, stelde dat de landen die tot het ‘globale zuiden’ gerekend worden, vooral zélf het voortouw moesten nemen bij hun eigen duurzame ontwikkeling. De meeste leden van ‘Evalnet’ knikten instemmend. Als dat inderdaad zo was, vervolgde ze, zouden die landen dan niet ook zelf verantwoordelijk moeten zijn voor het evaluatieonderzoek op dat terrein, óók als dat ‘westerse’ projecten betrof? Wederom knikten veel afgevaardigden instemmend.

      En inderdaad: waarom zouden ‘de gevers’ meer recht hebben op evaluatie en verantwoording dan ‘de ontvangers’? In VN-verdragen is niet voor niets vastgelegd dat landen en volken recht hebben op zelfstandigheid en eigen keuzen. Een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor beleid en evaluatie met meer eigenaarschap voor ontvangende landen en hun bevolking bij het evalueren van ontwikkelings­samenwerking is alleen om die reden al een goede zaak.

      Trouwens: ‘ontwikkelingssamenwerking’ en ‘hulp’? Deze termen hebben voor ­velen een ongemakkelijke klank: er klinken superioriteit en ongelijke verhoudingen uit op. Die laatste worden nog eens versterkt door het uitvoeren van ‘top-down’ evaluaties. Het is volgens veel betrokkenen, waaronder het gelijknamige directoraat-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken, beter om over ‘interna­tionale samenwerking’ te spreken. Daarmee geef je immers aan dat je op basis van gelijkwaardigheid wilt opereren. Dat je ontwikkelingssamenwerking en de evaluatie ervan wilt ‘dekoloniseren’, zoals het in OESO-verband wordt genoemd.

      Nieuw is dit streven naar meer gelijkwaardigheid en wederkerigheid zeker niet. Al in 2005 werd in hetzelfde Parijs afgesproken om de ‘partneroriëntatie’ te versterken. Als ‘eigenaren’ zouden ontwikkelingslanden hun eigen strategieën voor armoedebestrijding en ontwikkeling moeten vaststellen. Donorlanden zouden zich daarbij moeten aansluiten en ‘lokale capaciteit’ moeten benutten bij het uitvoeren van beleid. En dat zou ook moeten gelden bij het evalueren van resultaten.

      Dit alles leidde later – in Nairobi – tot afspraken over leidende principes voor effectieve ontwikkelingssamenwerking. Naast de ‘altijd-goed-bingo’ onderdelen resultaatgerichtheid, transparantie en verantwoording draait het daarbij om lokaal ­eigenaarschap (‘country ownership’) van ontwikkelingsdoelen en -prioriteiten.

      Mooi toch, die duidelijkheid? Zou je zeggen. En toch leidden de Nairobi-principes recentelijk weer tot stevige discussies over de nieuwe OS-beleidsnota ‘Doen waar Nederland goed in is’. Wie het beleid echt wil ‘dekoloniseren’, die zou niet moeten denken vanuit donorbelangen, zoals meer buitenlandse handel of het tegengaan van irreguliere migratie. In plaats van waar Nederland goed in is, zouden de prioriteiten van de ontvangende landen voorop moeten staan.

      Dat laatste is inderdaad precies wat in Nairobi is afgesproken. Maar zijn we er wel écht toe bereid? Hoever willen we gaan? En kán het eigenlijk wel? Kan een sector die gebouwd is op solidariteit maar ook op het paternalistische idee van ontwikkeling door technische bijstand zo’n omslag wel aan? En als het gaat om het afleggen van verantwoording: dúrven wij het als donoren wel aan om af te zien van onafhankelijk (lees: door het donorland uitgevoerd of uitbesteed) evaluatieonderzoek? Mogen we dat wel overlaten aan ontvangende landen, ook als zij van Transparency International zware onvoldoendes krijgen?

      Het zijn belangrijke, maar ook ongemakkelijke vragen. Zeker in de geopolitieke context anno 2024 met een grotere invloed van China en Rusland in Afrika. En bij dit alles staan de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking in veel donorlanden onder druk. In 2022 voldeden slechts vier landen aan de afspraak dat rijke landen 0,7% van hun inkomen aan hulp besteden (Nederland deed het met 0,67% op een zesde plaats niet slecht). Wat dat betreft zal voor menigeen gelden: wie zélf verantwoordelijk wil zijn voor duurzame ontwikkeling en de evaluatie ervan, moet die het niet ook zelf (willen) betalen?

      Tsja. Ik heb genoeg over economische drijfveren gelezen om deze retorische vraag met ‘Ja, idealiter wel’ te beantwoorden. Met een grote nadruk op ‘idealiter’. Want er is een groot verschil tussen wat ‘partnerlanden’ wíllen en wat zij kúnnen. Het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking ligt in een land als Congo honderd keer lager dan hier. Wie het beziet vanuit het kolonialistische verleden, zal herverdelen geen raar idee vinden.

      En daarbij: wie weet dat de omvang van de wereldeconomie een slordige 90 biljoen euro bedraagt – een biljoen heeft twaalf nullen dus 90.000.000.000.000 – en de totale ‘officiële ontwikkelingshulp’ net iets meer dan 200 miljard, die weet ook dat échte solidariteit en duurzame ontwikkeling wel uit een eerlijke verdeling van handel en geldstromen móéten komen. Zonder dat blijft het in belangrijke mate wensdenken. Vraag het de Senegalese vissers maar die Europese megatrawlers de zee voor hun kust zien leegvissen. Jan Pronk zei het al decennia terug: échte solidariteit vergt een grondige aanpassing van het internationale economische systeem. Anders is ontwikkelingshulp niets meer dan ‘een doekje voor het bloeden’.

      Het is volgens Peter Macontent (Universiteit Utrecht) dan ook niet verrassend dat evaluatieonderzoek bij ontwikkelingssamenwerking de afgelopen decennia vooral een ontnuchterende rol heeft gespeeld. Resultaten vallen vaak ronduit tegen en het regent winstwaarschuwingen voor wat je met beleid vermag. Eén ding is wel duidelijk: als je je vooraf niet verdiept in wat er écht in een land nodig is en welke belangen er lokaal spelen, dan mag je niet verrast zijn door die tegenvallende resultaten. Hetzelfde geldt voor wie denkt met een eenvoudige en kortdurende interventie duurzame wonderen te kunnen verrichten.

      Daarbij: wie goed wil doen, moet in elk geval geen verslechtering bewerkstelligen. ‘Hulp geven’ kan naast positieve effecten ook ronduit schadelijke gevolgen hebben. Dirk-Jan Koch (Radboud Universiteit) publiceerde recentelijk een boek vol voorbeelden. Toegenomen conflicten, migratie, prijsopdrijving, marginalisering van groepen, corruptie, milieuschade en zelfs seksueel geweld … het komt allemaal voor als ‘onbedoeld effect’ van goedbedoeld OS-beleid. Het nog te vaak onvoldoende als uitgangspunt genomen principe van ‘doe geen kwaad’ geldt bij alle beleids­interventies, maar zeker wanneer het verwijt van neokoloniaal paternalisme altijd op de loer ligt. Alleen dat verplicht al tot het zorgvuldig en in samenspraak met de mensen om wie het gaat voorbereiden en evalueren van ontwikkelingssamenwerking.

      Belangrijker dan dat zijn de wezensvragen die achter de roep om de dekolonisatie van ontwikkelingssamenwerking en evaluatieonderzoek schuilgaan. Dekoloniseren heeft meer om het lijf dan louter je biezen pakken. En dat geldt ook voor beleid en evaluatieonderzoek. Sterker nog, evaluatieonderzoekers uit Noord en Zuid hebben bij het werken aan een eerlijker verdeling van kansen en duurzame ontwikkeling juist een belangrijke gemeenschappelijke opdracht: het kantelen van het ­onderzoeksperspectief van donor naar ontvanger.

Reageer

Tekst


Print dit artikel