Citeerwijze van dit artikel:
Jolijn Broekhuizen, Ron van Wonderen en Erik van Marissing, ‘Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt’, 2013, januari-maart, DOI: 10.5553/Beleidsonderzoek.000018

DOI: 10.5553/Beleidsonderzoek.000018

Beleidsonderzoek OnlineAccess_open

Article

Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt

Auteurs
DOI
Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Jolijn Broekhuizen, Ron van Wonderen en Erik van Marissing, 'Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt', Beleidsonderzoek Online februari 2013, DOI: 10.5553/Beleidsonderzoek.000018

Dit artikel wordt geciteerd in

      In veel buurten leven bewoners op een prettige manier met elkaar samen. Buurtgenoten hebben vertrouwen in elkaar en er bestaan weinig onderlinge spanningen. Maar in sommige buurten staat de sociale cohesie onder druk; bewoners voelen zich er niet (meer) thuis en er zijn spanningen tussen bevolkingsgroepen. Over ‘spanningen’ tussen bevolkingsgroepen in buurten bestaan veel misverstanden. Spanningen in buurten worden vaak geassocieerd met veiligheidsproblemen (incidenten). In buurten komen ‘onderhuidse spanningen’ echter veel vaker voor dan zichtbare incidenten. Dit artikel gaat over deze ‘onderhuidse spanningen’. Het kan hierbij gaan om spanningen tussen:

      • buurtbewoners met een andere culturele, etnische of religieuze herkomst;

      • jongeren en ouderen;

      • bewoners die al lange tijd in een wijk wonen en bewoners die ‘nieuw’ zijn;

      • bewoners die een woning huren en bewoners die een woning hebben gekocht;

      • bewoners met psychiatrische problematiek of een verstandelijke beperking en ‘overige’ buurtbewoners (Broekhuizen & Van Wonderen, 2012).

      In de openbare en semi-publieke ruimte manifesteren zich spanningen tussen bewoners met andere opvattingen over ‘toelaatbaar’ gedrag. Bewoners ervaren overlast en/of vervreemding door (het gedrag van) buurtgenoten en voelen zich niet in staat om hier effectief iets aan te veranderen. Irritaties worden opgekropt; men ervaart steeds meer spanning en ergernis. Dit kan leiden tot frustraties, angst en verlies aan sociaal vertrouwen. Omgangsvormen tussen bevolkingsgroepen kunnen hierdoor geleidelijk aan verslechteren en uiteindelijk tot uiting komen in gedrag. Denk aan bekladding, intimidatie en bedreigingen, maar ook subtieler gedrag, zoals het ontwijken van contact, stigmatiseren en pesten (Van Wonderen, 2008, 2009).

      IJburg in Amsterdam is een voorbeeld van een wijk waar spanningen tussen bevolkingsgroepen worden ervaren. In de wijk is sprake van gemengde complexen waar kopers en huurders door elkaar wonen en daarmee ook bewoners van verschillende sociaaleconomische klassen, leeftijdscategorieën en leefstijlen. Deze diversiteit manifesteert zich op het laagste schaalniveau, namelijk dat van straten en blokken. Dat is gelijk ook de belangrijkste oorzaak van de ervaren spanningen. Jongeren afkomstig uit sociale huurcomplexen vertonen volgens kopers hinderlijk gedrag, zoals rondhangen in groepjes, lawaai maken en rommel achterlaten. Maar ook spelende kinderen zorgen voor irritaties bij bewoners door bijvoorbeeld geluidsoverlast, rondslingerend speelgoed en achterblijvende rommel. Daarnaast hebben bewoners last van vuil en rommel, zowel op straat als in de woonblokken. Er tekent zich grofweg een scheidslijn af tussen verwachtingsvolle kopers en onverschillige huurders, waarbij het erop lijkt dat eerstgenoemde groep de normen bepaalt en laatstgenoemde die vooral overtreedt.

      Omdat spanningen in buurten vaak onderhuids plaatsvinden, zijn ze niet makkelijk te signaleren in de dagelijkse praktijk. Daarom vroegen vijf Amsterdamse stadsdelen in 2011 aan Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam en het Verwey-Jonker Instituut spanningen in buurten in kaart te brengen. Daarbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan de achterliggende risicofactoren en beschermende factoren. Ook is gekeken naar relevante voorbeeldprojecten, om aangrijpingspunten voor beleid vast te stellen.

      In dit artikel gaan we allereerst in op risico- en beschermingsfactoren bij achtereenvolgens het ontstaan en tegengaan van spanningen in buurten, op basis van inzichten uit de wetenschappelijke literatuur. Hierna bespreken we de oorzaken voor spanningen die we empirisch hebben gevonden in het onderzoek in Amsterdam. We zoomen hierbij vooral in op de samenhang tussen ervaren jeugdoverlast en spanningen tussen bevolkingsgroepen en op de rol die publieke familiariteit en de steun van professionals hierbij spelen. In een buurt is sprake van beperkte publieke familiariteit wanneer bewoners elkaar niet (her)kennen, niet goed weten wat ze van elkaar kunnen verwachten, waardoor zij zich niet meer vertrouwd voelen in de eigen buurt. Bij steun van professionals zoomen we in dit artikel in op de aanwezigheid en benaderbaarheid van professionals in de buurt, zoals de wijkagent, huismeester en het stadsdeel.

    • Risico- en beschermende factoren voor spanningen uit wetenschappelijke literatuur

      Een studie van Bolt en Torrance (2005) toont aan dat botsende en ongedeelde leefstijlen voor spanningen tussen bevolkingsgroepen kunnen zorgen. Het onderzoek laat zien dat in buurten met een grote diversiteit aan bevolkingsgroepen minder gedeelde waarden en normen zijn, wat tot onduidelijkheid, ontoelaatbaar gedrag, ergernis en gevoelens van onveiligheid kan leiden. Er kan sprake zijn van ‘botsende leefstijlen’ in een buurt, die zich onder meer manifesteren in verschillend denken over het schoonhouden van de buurt; in botsende opvattingen over wat wel en niet kan in de buurt, bijvoorbeeld op het gebied van geluidsoverlast, parkeren en toezicht op spelende kinderen in de buitenruimte. De kans op spanningen is bijvoorbeeld groter wanneer bewoners vinden dat ouders te weinig toezicht houden op hun kinderen en hen te weinig corrigeren als zij overlast veroorzaken.

      Botsende en ongedeelde leefstijlen hebben veelal te maken met het ontbreken van publieke familiariteit (Blokland, 2008). Van publieke familiariteit in de buurt is sprake als bewoners over voldoende informatie beschikken om elkaar te kennen en herkennen. Wanneer bewoners andere buurtbewoners niet kunnen plaatsen, kunnen zij het gevoel hebben dat zij geen grip hebben op hun eigen straat of buurt. Hierdoor vinden zij het bijvoorbeeld lastig om andere, onbekende buurtbewoners aan te spreken op (onfatsoenlijk) gedrag. Deze anonieme verhouding tussen bewoners is te typeren als mistrust en kenmerkt zich doordat men niet kan inschatten wat men van de ander kan verwachten, soms met het gevolg dat er ergernis, spanningen of zelfs conflicten tussen bevolkingsgroepen ontstaan.

      Ongedeelde leefstijlen en het ontbreken van publieke familiariteit kunnen ontstaan wanneer er sprake is van een etnisch diverse bevolkingssamenstelling of een toename van de etnische diversiteit in een wijk. Er zijn verschillende theorieën van toepassing op de relatie tussen etnische diversiteit, wederzijdse beeldvorming en relaties tussen bevolkingsgroepen. De sociale identificatietheorie stelt dat er geen sprake hoeft te zijn van een werkelijk (belangen)conflict voor het ontstaan van negatieve denkbeelden en spanningen tussen bevolkingsgroepen (Tajfel, 1982; Turner, 1999). Enkel door de aanwezigheid van meerdere bevolkingsgroepen ontstaan negatieve verhoudingen in de buurt. Bewoners identificeren zich met de eigen groep, omdat individuele leden van de eigen groep grotendeels dezelfde kenmerken hebben, bijvoorbeeld dezelfde religie. De groepen waarmee men zich het minst identificeert, hebben kenmerken die het minst lijken op die van de eigen groep, en worden het meest negatief beoordeeld. In buurten met een grote diversiteit aan etnische groepen, zullen volgens de sociale identificatietheorie de tegenstellingen tussen de verschillende etnische groepen zich versterken. Dit komt tot uitdrukking in ‘wij-zij-denken’ tussen de groepen, dat weer resulteert in een negatievere houding ten aanzien van elkaar. Ook de realistische conflicttheorie voorspelt in etnisch diverse buurten meer wij-zij-tegenstellingen. Competitie om schaarse goederen en de perceptie van dreiging leiden tot een negatieve, vijandige houding ten opzichte van andere (etnische) groepen (Sherif, 1967; LeVine & Campbell, 1965).

      Onderzoek in Nederlandse buurten met veel verschillende etnische groepen wijst uit dat ontmoetingen tussen leden van verschillende bevolkingsgroepen ongeconditioneerd zijn en een vluchtig karakter hebben (Dagevos, 2005; Van der Laan Bouma-Doff, 2005; Gijsberts & Dagevos, 2007; Tolsma et al., 2009). Het blijkt dat mensen die op deze wijze met elkaar in contact komen, daarin juist een bevestiging kunnen vinden van bestaande (voor)oordelen en stereotypen (o.a. Van Niekerk et al., 1989). Het resultaat van intergroepscontact is volgens critici vooral afhankelijk van de omstandigheden waaronder dat contact plaatsvindt (Shadid, 1998). Spontane contacten tussen bevolkingsgroepen kunnen bij verschillende opvattingen of leefstijlen leiden tot wederzijds onbegrip en zelfs tot verdere stigmatisering en spanningen. Robert Putnam (2007) laat zien dat naarmate een woonbuurt etnisch meer gemengd is, dit juist resulteert in minder sociaal vertrouwen, minder sociale netwerken en minder burgerschap.

      Een andere potentiële bron van spanningen die uit eerder onderzoek naar voren komt, is de aan jongeren gerelateerde overlast en onveiligheid. Onderzoek van bijvoorbeeld Blokland (2007) laat zien dat groepjes jongeren die rondhangen in de openbare ruimte, bijdragen aan ‘het zich niet thuis voelen op straat’ van buurtbewoners en het niet kunnen inschatten van anderen (mistrust). Omdat allochtone jongeren oververtegenwoordigd zijn in jeugdgroepen die rondhangen in de buurt (vooral in de grote steden), en relatief vaak zijn betrokken bij zichtbare overlast en criminaliteit in de publieke ruimte, kan dit de negatieve beeldvorming over bepaalde bevolkingsgroepen vergroten. Morenoff et al. (2001) laten hiernaast zien dat sociale overlast en verloedering de effectiviteit van de sociale organisatie in de buurt ondermijnen. Sociale organisatie wordt gedefinieerd als het onvermogen om gemeenschappelijke waarden te realiseren en om effectieve sociale controle hierop uit te oefenen. Een gebrek aan sociale organisatie in een buurt resulteert in een tekortschietende informele sociale controle (‘bewoners die elkaar op hun gedrag aanspreken of corrigeren’). Bewoners die bereid zijn om elkaar aan te spreken op hun gedrag, moeten erop kunnen vertrouwen dat ook andere buurtbewoners bereid zijn om in te grijpen als dat nodig is (zie ook Bolt et al., 2008). Onderzoek van Van Stokkom (2008) laat zien dat overlastsituaties en verloedering behalve de sociale organisatie in de wijk ook het veiligheidsgevoel kunnen beïnvloeden. Niet omdat de situaties allemaal zo ernstig zijn, maar omdat ze het idee laten postvatten dat de straat ‘niemandsland’ is en dat het samenleven zelf is aangetast.

      Uit onderzoek blijkt dat het optreden van de politie in een buurt het ontstaan van spanningen kan tegengaan. Dat is vooral het geval wanneer spanningen in de buurt gerelateerd zijn aan zichtbare overlast en problemen waar bewoners dagelijks mee te maken hebben. De politie kan dan als een soort protectieve factor spanningen deels voorkomen en tegengaan. Volgens een recent rapport van de Politieacademie kan de politie (in het bijzonder de wijkagent) spanningen in buurten voorkomen door zichtbare aanwezigheid op straat (Adang et al., 2010). Het onderzoek laat hiernaast zien dat de politie spanningen kan voorkomen door nauwe samenwerking met sleutelpersonen uit de wijk en met organisaties als buurt- en jongerenwerk, straatcoaches, ondernemers, kerken, moskeeën en scholen. Voor bewoners blijkt hierbij vooral van belang te zijn dat de nadruk van de politie niet alleen op repressie ligt.

    • Data en instrument

      Data

      In het huidige onderzoek gaan we na welke van de hiervoor beschreven risico- en beschermende factoren voor spanningen tussen bevolkingsgroepen een rol spelen in Amsterdamse buurten. In dit onderzoek is gebruikgemaakt van drie databronnen. Ten eerste is dat de Veiligheidsmonitor Amsterdam-Amstelland die in 2011 onder 13.333 respondenten is afgenomen. In deze monitor wordt bewoners gevraagd naar onder andere de veiligheid, criminaliteit en leefbaarheid in hun buurt. Sinds 2010 is in de Veiligheidsmonitor een aantal vragen opgenomen, waarmee inzicht wordt geboden in de mate waarin spanningen voorkomen. Deze meting wordt elk kwartaal opnieuw uitgevoerd en biedt inzicht in de ontwikkeling van spanningen in alle Amsterdamse buurtcombinaties en in de omliggende gemeenten. De data van de Veiligheidsmonitor worden op buurtniveau gewogen, zodat de samenstelling van de onderzoeksgroep zo veel mogelijk overeenkomt met de werkelijke populatie.

      Ten tweede hebben we een verdiepend onderzoek uitgevoerd. Verdeeld over twintig buurten in vijf stadsdelen zijn in totaal 4.563 bewoners geënquêteerd. In samenspraak met de gemeentelijke projectleiders of beleidsambtenaren ‘polarisatie en radicalisering’ hebben we per stadsdeel drie buurten geselecteerd waarvan op basis van kennis die is opgedaan in een vooronderzoek (Broekhuizen & Van Wonderen, 2010), verwacht mocht worden dat er spanningen worden ervaren. Om de bevindingen in de onderzoeksbuurten te kunnen duiden is verder in elk stadsdeel een referentiebuurt gekozen, een buurt waarin naar verwachting juist minder spanningen bestaan. We hebben verschillende methodes van dataverzameling gebruikt, via internet, face-to-face, schriftelijk en telefonisch, waarmee per onderzoeksbuurt een representatieve respons is verkregen.

      De derde databron betreft verdiepende gesprekken met 274 beleidsmakers, wijkprofessionals en bewoners, verdeeld over de vijftien geselecteerde onderzoeksbuurten. De geïnterviewde wijkprofessionals (geselecteerd in samenspraak met de projectleider polarisatie en radicalisering van het stadsdeel), zijn buurtregisseurs, jongerenwerkers, opbouwwerkers, leerkrachten/schooldirecteuren, welzijnswerkers en huismeesters. Ook hebben we, afhankelijk van de geconstateerde problematiek, gesproken met bijvoorbeeld opvoedondersteuners, vrijwilligers in kerken, medewerkers van toezicht en handhaving (BOA’s), en medewerkers van de gemeentereiniging. In elke buurt hebben we voorts een groepsgesprek gevoerd met een tiental bewoners. Deze zijn geworven door middel van een vraag in de bewonersenquête. Bij het benaderen van de bewoners hielden we zo veel mogelijk rekening met etniciteit, leeftijd, eigendomssituatie en de mate waarin zij spanningen ervoeren. We hebben dus bewust selectief benaderd, teneinde een discussie te kunnen voeren waarin verschillende ervaringen en opvattingen de revue konden passeren.

      Instrument

      In dit onderzoek maakten we gebruik van een nieuw instrument om spanningen in de buurt te signaleren (Broekhuizen & Van Wonderen, 2010). Dit nieuwe signaleringsinstrument meet de verschillende gradaties van spanningen (onprettig gevoel, spanningen, contactvermijding) en biedt inzicht in potentiële achtergronden en verklaringen voor spanningen, namelijk verschillen in omgangsvormen tussen bevolkingsgroepen, jongerenoverlast, religieuze of culturele verschillen, botsende opvattingen over hoe men zich hoort te gedragen in de buurt en botsende opvattingen over het schoonhouden van de buurt (zie figuur 1).

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/BO/BO_2013_00020

      1 Signaleringsinstrument om spanningen tussen bevolkingsgroepen in buurten te meten

      Stellingen zijn bijvoorbeeld: ‘In deze buurt wonen bevolkingsgroepen waar ik niet zo positief over denk’, ‘Ik voel wel eens spanningen met buurtgenoten die uit een andere cultuur dan ikzelf afkomstig zijn’ en ‘Sterke verschillen in religieuze achtergronden van bevolkingsgroepen in deze buurt zorgen voor spanningen’.

    • Resultaten

      Alvorens in te gaan op de relatie tussen jongerenoverlast en spanningen tussen bevolkingsgroepen, zoomen we eerst nog kort even in op een aantal algemene resultaten van het onderzoek. Een eerste bevinding uit het verdiepend onderzoek is dat het per buurt kan verschillen tussen welke verschillende bevolkingsgroepen spanningen bestaan. In sommige buurten gaat het bijvoorbeeld om Turken versus autochtonen, in andere buurten om huurders versus kopers en in in andere buurten ervaren ouderen spanningen als gevolg van de aanwezigheid van jongeren.

      Een tweede bevinding is dat de potentiële risicofactor ‘religie’ geen (rechtstreekse) relatie heeft met het ontstaan van spanningen. De relatie tussen spanningen en religie wordt in de politiek en in media vaak gelegd. In werkelijkheid is het voor mensen niet zo relevant wat het geloof is van hun buurtgenoten en of buurtgenoten wel of juist geen hoofddoekje dragen. Veel belangrijker is dat mensen uit verschillende bevolkingsgroepen geen overlast van elkaar ervaren.

      Een derde bevinding is dat elke buurt een andere combinatie van risicofactoren voor spanningen herbergt. Uit de gesprekken kwamen onder andere de volgende risicofactoren naar voren: de aanwezigheid van overlastgevende jongeren met een licht verstandelijke beperking, de aanwezigheid van bewoners met psychiatrische problematiek, uitgestelde stedelijke vernieuwing en onvoldoende publieke familiariteit en informele sociale controle. In het overkoepelende onderzoeksrapport Samenleven met verschillen (Broekhuizen & Van Wonderen, 2012) gaan we uitgebreid in op het gehele palet van risicofactoren voor spanningen tussen bevolkingsgroepen. In dit artikel beperken we ons tot een van de meest voorkomende risicofactoren van spanningen: het ervaren van overlast van jongeren door bewoners (waaronder ook andere jongeren).

      Overlast van jongeren en spanningen tussen bevolkingsgroepen

      In sommige Amsterdamse buurten stelt 40% van de bewoners dat jongerenoverlast voor spanningen tussen bevolkingsgroepen zorgt; zij stemmen in met de stelling: ‘Overlast van jongeren uit andere bevolkingsgroepen zorgt voor spanningen in de buurt’. Deze bevinding is in lijn met het onderzoek van Blokland (2007), waaruit bleek dat groepjes jongeren die rondhangen in de openbare ruimte, bijdragen aan ‘het zich niet thuis voelen op straat’ (mistrust).

      Bewoners en professionals geven in de interviews aan dat het overlastgevende gedrag van jongeren geregeld tot een gevoel van spanningen of – uit angst – tot vermijdingsgedrag van bewoners leidt. Dit is vooral het geval bij intimiderend gedrag van jongeren. Als mensen worden nageroepen door jongeren, dan heeft dit op hen relatief veel impact; de overlast wordt persoonlijk ervaren, vooral als bewoners regelmatig hiermee worden geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat ze dagelijks langs een groep jongeren moeten op weg naar huis of om naar de winkels te gaan. Sommige vrouwen wagen zich ’s avonds niet op straat omdat ze nagefloten en nagesist worden door jongens die in portieken hangen. Een deel van de bewoners ervaart spanningen in de buurt extra intens. Men kan hier denken aan bewoners die jongeren wel eens hebben aangesproken, maar vervolgens een grote mond terugkrijgen; of bewoners die overlast hebben gemeld bij politie of instanties en vervolgens bij de jongeren bekend staan als ‘zeikerd’ of ‘verrader’. Hetzelfde geldt voor bewoners die wel eens iets hebben meegemaakt (bedreigd, bespuwd, beroofd). Deze bewoners zijn extra op hun hoede en ervaren vaker spanningen. In sommige buurten dringt de overlast van jongeren ook binnen in het privédomein van mensen; juist dit kan tot gevolg hebben dat mensen spanningen ervaren en hiervan gevolgen ondervinden, zoals frustratie, boosheid, slapeloosheid. Of overlast buiten op straat het privédomein kan binnendringen en impact kan hebben op persoonlijke levens, hangt ook af van de stedenbouwkundige structuur van de buurt. Een voorbeeld is de Diamantbuurt in het stadsdeel Zuid. Door de compacte bouw van deze buurt, en de smalle straten, bevinden de spelende kinderen en rondhangende jongeren zich dicht bij de huizen, op de stoepen en in de portieken, dus dicht bij de bewoners. Bewoners lopen langs de jongeren hun huis binnen. Geluid van deze jongeren komt als overlast de huizen binnen, soms tot laat in de avond. Het kost sommige bewoners moeite zich hiervoor af te sluiten.

      Niet alleen overlastgevende gedrag van jongeren, maar ook hinderlijk gedrag van 8- t/m 14-jarigen kan het samenleven in de buurt negatief beïnvloeden. Uit interviews met bewoners blijkt dat het bij overlast door kinderen vooral gaat om geluidsoverlast, rommel op straat en in portieken, brutaal gedrag en naroepen. Professionals geven aan dat sommige ouders weinig toezicht houden op hun kinderen, waardoor die bij ongewenst gedrag weinig gecorrigeerd worden. Ook komt het voor dat kinderen niet buiten durven spelen uit angst voor ruzie met andere kinderen of pesten; jongere kinderen worden soms van speelplaatsen geweerd.

      Operationalisatie

      Overlastgevend gedrag kinderen en jongeren

      1. overlast groepen jongeren

      2. overlast kinderen t/m 14 jaar

      3. schelden en brutaal gedrag

      4. bedreiging

      5. mensen lastig gevallen op straat

      Uit de gesprekken met bewoners blijkt dat de ervaren overlast van jongeren vooral voor spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt zorgt wanneer er weinig publieke familiariteit is en bewoners onvoldoende steun van instanties ervaren. We lichten deze mechanismen hierna nader toe en bespreken mogelijke relevante beleidsmaatregelen.

      1 Operationalisatie
      Overlastgevend gedrag kinderen en jongeren Weinig publieke familiariteit
      Overlast groepen jongeren Niet thuis voelen in de buurt
      Overlast kinderen t/m 14 jaar Ervaren verandering bevolking-samenstelling
      Schelden en brutaal gedrag Verschillend denken over omgangsvormen
      Bedreiging Verschillende normen en waarden
      Mensen lastig gevallen op straat

      Operationalisatie

      Weinig publieke familiariteit

      1. niet thuis voelen in de buurt

      2. ervaren verandering bevolkingsamenstelling

      3. verschillend denken over omgangsvormen

      4. verschillende normen en waarden

      De rol van publieke familiariteit

      In sommige buurten weten bewoners niet goed wat ze van hun buren kunnen verwachten. Ze (her)kennen elkaar niet, kunnen elkaar niet plaatsen, waardoor ze zich niet vertrouwd voelen. In dit soort buurten hebben bewoners het gevoel dat er geen ongeschreven regels en algemeen geldende omgangsvormen (meer) zijn. Met andere woorden: er is weinig publieke familiariteit (Blokland 2007, 2008).

      Wanneer we de gegevens van alle twintig buurten uit de bewonersenquête in beschouwing nemen, blijkt dat bewoners minder spanningen ervaren (het eens zijn met de stelling ‘ik voel wel eens spanningen met buurtgenoten die uit een andere cultuur afkomstig zijn’) bij overlast door kinderen en jongeren naarmate er meer publieke familiariteit is. Gemiddeld voelt 30% van de bewoners uit de onderzochte buurten spanningen met andere bevolkingsgroepen indien ze overlast van jongeren en kinderen in de buurt ervaren (zie de bovenste blokjes in figuur 2). In buurten waar er naast deze ervaren overlast relatief veel publieke familiariteit is, voelt 17% van de bewoners spanningen. Er is sprake van een dempend effect. Een versterkend effect treedt op als er naast de jongerenoverlast ook sprake is van relatief weinig publieke familiariteit. Het aandeel bewoners dat dan wel eens spanningen met buurtgenoten uit een andere cultuur voelt, bedraagt dan 37% (zie figuur 2, het linker model).

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/BO/BO_2013_00020

      2 De rol van publieke familiariteit en rugdekking politie en stadsdeel bij het ervaren van spanningen door overlast van kinderen en jongerenIn deze analyse betreft 'spanningen' het aandeel bewoners dat het (helemaal) eens is met de stelling ‘ik voel wel eens spanningen met buurtgenoten die uit een andere cultuur afkomstig zijn’ (een van de stellingen van het signaleringsinstrument).

      Mistrust, de onbekendheid met en het moeilijk kunnen inschatten van andere buurtbewoners, leidt dus, zoals beredeneerd naar aanleiding van de literatuur (Blokland, 2008), tot spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt. Uit de interviews blijkt dat in buurten met weinig publieke familiariteit bewoners niet in staat zijn of denken te zijn ongewenste situaties in hun omgeving te veranderen. Zo durven ze buren die overlast veroorzaken niet aan te spreken, of jongeren te corrigeren die laat in de avond lawaai maken. Anonimiteit, taalbarrières en onbekendheid met andere culturen kunnen hierbij een rol bij spelen. Bewoners durven niet zomaar op anderen af te stappen, bang voor verkeerde reacties. Bewoners voelen zich machteloos, kunnen hun ergernissen niet kwijt. Bij een gebrek aan publieke familiariteit kunnen lichte irritaties ongemerkt uitgroeien tot frustraties en spanningen tussen bevolkingsgroepen.

      De invloed van rugdekking door instanties

      2 Operationalisatie - Onvoldoende steun stadsdeel en politie
      1. stadsdeel geen aandacht problemen
      2. stadsdeel geen aandacht samenleven groepen
      3. politie weinig uit de auto
      4. politie moeilijk benaderbaar
      5. politie weinig rekening wensen samenleving
      6. politie weinig tijd voor zaken
      7. politie bestrijdt niet succesvol criminaliteit

      Uit het onderzoek blijkt dat de kans op het ervaren van spanningen tussen bevolkingsgroepen (het eens zijn met de stelling ‘ik voel wel eens spanningen met buurtgenoten die uit een andere cultuur afkomstig zijn’) bij overlastgevend gedrag van kinderen en jongeren ook groter is wanneer buurtbewoners zich onvoldoende gesteund voelen door de gemeente en andere instanties in de buurt, zoals de politie, de woningcorporatie en het welzijnswerk. De invloed van deze ‘rugdekking’ is wel wat minder groot dan die van publieke familiariteit. Het ervaren van spanningen tussen bevolkingsgroepen bij jongerenoverlast neemt toe van 30 naar 35% bij onvoldoende rugdekking van het stadsdeel en de politie (andere instanties zijn niet meegenomen in de enquête). Voldoende rugdekking biedt enige bescherming: ervaren spanningen lopen dan terug van 30 naar 24% (zie figuur 2, het rechter model). Deze bevinding is in overeenstemming met eerder onderzoek van Adang et al. (2010), waaruit bleek dat politie spanningen in de buurt kan voorkomen.

      Bewoners geven aan dat zij veel waarde hechten aan steun van professionals. Dat wil bijvoorbeeld zeggen, dat als zij iets melden bij een professional, zij zich ook serieus genomen willen voelen en zij goed en tijdig geïnformeerd willen worden over wat er met zo’n melding gebeurt en waarom. Veelgehoorde klachten van bewoners zijn dat zij niet weten bij wie ze terecht kunnen en dat ze vinden dat de betreffende professional hen niet serieus neemt. Zo kan – vaak onterecht – de indruk bestaan dat instanties niets doen om problemen op te lossen en kunnen frustraties bij bewoners oplopen. De aanwezigheid en inzet van professionals in de buurt heeft daarnaast ook een positieve invloed op de weerbaarheid van de bewoners. Wanneer bewoners zich veilig voelen in hun buurt, zijn zij eerder geneigd om overlastgevers aan te spreken op hun gedrag en ongewenste situaties al in een vroeg stadium te signaleren en tegen te gaan.

    • Beleidsaanbevelingen

      Aan het ontstaan van spanningen tussen bevolkingsgroepen in buurten ligt een complex samenspel van factoren ten grondslag. Spanningen tussen bevolkingsgroepen is geen onveranderlijk construct dat is verankerd in diepliggende psychologische processen van intolerantie. Het is ook geen onvermijdelijk gevolg van het feit dat verschillende bevolkingsgroepen en religies met elkaar (moeten) samenleven in buurten. Oorzaken en oplossingen voor de aanwezigheid van spanningen tussen bevolkingsgroepen zijn vooral terug te voeren op overlastgevend gedrag en botsende leefstijlen van bewoners in de buurt, en daardoor ook in meer of mindere mate te beïnvloeden door beleid. In dit artikel hebben we ons vooral gericht op de rol van publieke familiariteit en de rugdekking van instanties. Onze aanbevelingen, die grotendeels afkomstig zijn van de voor dit onderzoek geïnterviewde professionals, richten zich dus op deze twee factoren.

      Spanningen die voortkomen uit overlastsituaties en conflicterende leefstijlen, zijn soms moeilijk bespreekbaar voor buurtbewoners die elkaar niet kennen en niet kunnen inschatten. Dit betekent niet dat buurtbewoners elkaar persoonlijk beter moeten leren kennen en intensief contacten met elkaar moeten aangaan. Buurtbewoners vinden het veel belangrijker dat zij onbekenden kunnen vertrouwen en dat er overeenstemming bestaat over de ongeschreven regels die men dient na te leven (‘publieke familiariteit’). Ze willen weten wie de buren en hun kinderen zijn, ze willen kunnen rekenen op hulp in geval van nood, en bij overlast of ergernissen willen zij hun buren (of hun kinderen) kunnen aanspreken op hun gedrag.

      Uit de gesprekken met bewoners en professionals is naar voren gekomen dat door corporaties georganiseerde portiek- en galerijgesprekken waarin bewoners kennis met elkaar kunnen maken, een mogelijkheid zouden kunnen zijn om de publieke familiariteit in de buurt te versterken. Buurtwerkers en/of actieve buurtbewoners voeren met mensen die in dezelfde portiek of op dezelfde trap wonen, gesprekken waarin men kennis kan maken en zo nodig woon- en gedragsregels kan afspreken. Ten slotte zijn volgens geïnterviewde professionals ook projecten waarbij jong en oud met elkaar in contact worden gebracht, zoals tuintjesprojecten of klusdiensten, van belang bij het bespreekbaar maken en wegnemen van vooroordelen. Deze beleidsaanbevelingen zijn gericht op het creëren van ontmoetingen en het organiseren van buurtgerichte activiteiten. Het is goed te benadrukken dat men ook juist veel baat kan hebben van vanzelfsprekende, spontane ontmoetingsplekken, zoals buurtwinkels en speelpleinen en bestaande, vaak kleinschalige activiteiten. Deze bestaande en bovendien vertrouwde plekken en structuren kunnen als basis dienen voor contactbevorderende activiteiten.

      Het voorkomen en tegengaan van spanningen begint idealiter bij de bewoners zelf. Burgers zullen echter vooral hun verantwoordelijkheid (durven) nemen, bijvoorbeeld om zelf iets te doen tegen overlast van jongeren, wanneer zij zich gedekt voelen door instanties, zo geven de geïnterviewde professionals aan. Dat begint bij zichtbaar aanwezig zijn in de buurt en bekend zijn bij de bewoners. Uit vragen en opmerkingen van bewoners maakten we op dat zij lang niet alle professionals kennen en ook niet altijd weten wat zij precies doen. Zelfs de wijkagenten, opbouw- en jeugdwerkers en huismeesters zijn voor bewoners geen vanzelfsprekende verschijning. Initiatieven als De Buurt Bestuurt (Rotterdam), Buurtsignaal (Eindhoven), galerijgesprekken (Amsterdam) en portiekcafés (o.a. Utrecht) kunnen ertoe bijdragen dat dit contact verbetert. Het aspect van terugkoppeling (bewoners voortdurend op de hoogte houden) neemt in deze initiatieven een prominente rol in.

      Deze beleidsimplicaties zijn ook relevant voor andere Nederlandse gemeenten. Uit een inventarisatie onder gemeenten blijkt namelijk dat in veel gemeenten (nog) geen specifiek beleid is om spanningen tegen te gaan (Van Wonderen, 2009). De aanpak van spanningen is volgens de geïnterviewden indirect onderdeel van regulier beleid, en is terug te vinden binnen verschillende beleidsterreinen (vooral aandacht vanuit het veiligheidsbeleid). De laatste jaren is echter wel een accentverschuiving zichtbaar. Geïnterviewden zien in de gemeenten een toenemende aandacht voor een preventieve aanpak van spanningen tussen bevolkingsgroepen.

    • Literatuur
    • Adang, O., Quint, H., & Van der Wal, R. (2010). Zijn wij anders? Waarom Nederland geen grootschalige etnische rellen heeft. Amsterdam: Reed Business.

    • Blokland, T. (2007). De halve wereld achter de voordeur, het opbouwwerk op straat. MO Samenlevingsopbouw, 26(15), 32-39.

    • Blokland, T. (2008). Oog voor elkaar. Veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.

    • Bolt, G., & Torrance, M.I. (2005). Stedelijke herstructurering en sociale cohesie. Utrecht: Nethur.

    • Bolt, G., Van Kempen, R., & Van Beckhoven, E. (2008). Oorzaken van buurtverval. In Bloei en verval van vroeg-naoorlogse wijken. Den Haag: Nicis Institute.

    • Boutellier, H., Van Wonderen, R., Tan, S., De Groot, I., & Nieborg, S. (2007). Sociaal vertrouwen in Oud-Zuid. Literatuurverkenning en ontwikkeling van een meetinstrument. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

    • Broekhuizen, J., & Van Wonderen, R. (2010). Samenleven met verschillen. Over de ontwikkeling van een instrument om polarisatie en vertrouwen in buurten te meten. Amsterdam: Vrije Universiteit.

    • Broekhuizen, J., & Van Wonderen, R. (2012). Samenleven met verschillen. Signaleren van spanningen en versterken van vertrouwen in Amsterdamse buurten. Amsterdam: gemeente Amsterdam.

    • Dagevos, J. (2005). Gescheiden werelden. De etnische signatuur van vrijetijdscontacten van minderheden. Sociologie, 1(1), 52-69.

    • Gijsberts, M., & Dagevos, J. (2007). Interventies voor integratie. Het tegengaan van etnische concentratie en het bevorderen van interetnisch contact. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

    • Levine, R.A., & Campbell, D.T. (1972). Ethnocentricism: theories of conflict, ethnic attitudes and group behavior. New York: Wiley.

    • Morenoff, J.D., Sampson, R.J., & Raudenbush, S.W. (2001). Neighborhood inequality, collective efficacy, and the spatial dynamics of homicide. Criminology, 39(3), 517-560.

    • Putnam, R.D. (2007). E Pluribus Unum: Diversity and community in the twenty-first century. The 2006 Johan Skytte prize lecture. Scandinavian Political Studies, 30(2), 137-174.

    • Shadid, W.A. (1998). Grondslagen van interculturele communicatie. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.

    • Sherif, M. (1967). Group conflict and cooperation, London: Routledge & Kegan Paul.

    • Tajfel, H. (1982). Social psychology of intergroup relations. Annual Review of Psychology, 33, 1-39.

    • Tolsma, J., Van der Meer, T., & Gesthuizen, M. (2009). The impact of neighbourhood and municipality characteristics on social cohesion in the Netherlands. Acta Politica, 44(3), 286-313.

    • Tonkens, E.H., & Verhoeven, I. (2011). Bewonersinitiatieven: proeftuin voor partnerschap tussen burgers en overheid. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam/AISSR.

    • Turner, J.C. (1999). Some current issues in research on social identity and self-categorization theories. In N. Ellemers, R. Spears & B. Doosje (Eds.), Social identity. Oxford: Blackwell.

    • Van der Laan Bouma-Doff, W. (2005). De buurt als belemmering?, Assen: Van Gorcum.

    • Van Niekerk, M., Sunier, T., & Vermeulen, H. (1989). Bekende vreemden: Surinamers, Turken en Nederlanders in een naoorlogse wijk. Amsterdam: Het Spinhuis.

    • Van Stokkom, B. (2008). Bange burgers, doortastende dienstverleners. In H. Boutellier & R. van Steden (red.), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.

    • Van Wonderen, R. (2008). Naar een monitor polarisatie en sociaal vertrouwen tussen bevolkingsgroepen. Tijdschrift voor Veiligheid, 7(1), 60-65.

    • Van Wonderen, R., & Magry, C. (2008). Polarisatie en vertrouwen in de buurt: een oriënterend onderzoek in zes gemeenten naar de aanpak van polarisatie en sociaal vertrouwen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

    Noten

    • 1 In deze analyse betreft 'spanningen' het aandeel bewoners dat het (helemaal) eens is met de stelling ‘ik voel wel eens spanningen met buurtgenoten die uit een andere cultuur afkomstig zijn’ (een van de stellingen van het signaleringsinstrument).

Reageer

Tekst


Print dit artikel